Achter de lachende Mark Rutte gaat te veel nonchalance schuil

Dat was lachen met Mark Rutte op College Tour. Een kerk vol Leidse studenten lag aan zijn voeten. Er zijn al te veel eindejaarslijstjes, maar van alle premiers die dit land heeft gekend, moet dit een van de meest goedlachse zijn. Geen geringe prestatie in een tijd van bijna-depressie.

Een opgeruimd karakter is voor een politicus in het tv-tijdperk een vereiste. Het lucht op, verbindt mensen en helpt problemen in proportie te zien. Maar de kijkers voelen ook of het echt is. Mitt Romney is met zijn perfecte gebit, haar en lach nog steeds geen Republikeins presidentskandidaat. Het machinale van zijn opgewektheid ontbreekt bij onze premier. Die lijkt echt vrolijk en niet te beroerd toe te geven dat hij soms iets niet weet.

Zo heeft Rutte zijn ongebruikelijke kabinet al ruim een jaar goedgemutst op de rails gehouden. De coalitie van VVD en CDA, met gedoogsteun van de PVV, gaat bijna fanaat door met het afgesproken bezuinigingsbeleid. Geert Wilders laat zich weinig afleiden door sociale gevoelens op momenten dat de hardheid en soms onredelijkheid van in het regeerakkoord gemaakte keuzes zichtbaar worden.

Ministers Kamp en Schippers kregen bezuiniging op bijstand en gezondheidszorg dankzij een gesloten coalitiefront door de Kamer. Voor betrokkenen is daar bijzonder weinig bij te lachen. De ingrepen in de GGZ en de langdurige zorg dreigen een rommeltje te worden waarin minder wordt bezuinigd dan is geadverteerd. Meer marktwerking in de zorg kan heel makkelijk tot meer productie leiden – net als op de echte markt. Alleen is daar niemand om de schuld te geven.

De minister van Volksgezondheid kreeg zelfs coalitiesteun om de huisartsen te korten op extra werk dat haar voorganger juist van hun vroeg omdat zij goedkoper zijn dan het ziekenhuis: een schoolvoorbeeld van een overheid zonder geheugen. Een onbetrouwbare overheid wordt niet opeens betrouwbaar als er moet worden bezuinigd.

De onuitgesproken veronderstelling bij veel van de genomen maatregelen is toch dat er maar wat steun getrokken wordt, dat ontwikkelingshulp niet helpt, dat kunst-, milieu- en natuurbeleid voor softies en subsidiejunks is. En steeds wordt weer de bestuurlijke truc toegepast om taken, zonder het bijbehorende geld, over de schutting van gemeente en provincie te gooien. Waar het weerwerk nog zwak is.

Het CDA toont zich de laatste weken in toenemende mate ongemakkelijk met dit PVVD-beleid. De echte gedoogpartner zet op steeds meer terreinen nieuwe geurvlaggen uit. De 130 kilometer mag van het CDA en een meerderheid alleen waar het nu al veilig en schoon kan. De post moet op maandag bezorgd blijven worden – Bleker, hij rommelt voort. Het CDA morrelt ook aan het taboe rond de aftrekbaarheid van hypotheekrente.

Voorlopig zijn de drie partijen vrijwillig bij elkaar en is er geen evident, samenhangend alternatief in de aanbieding. Afgezien van de tweede gedoogconstructie voor Europees beleid. En Kunduz. Dat betekent dat dit kabinet de volle verantwoordelijkheid draagt voor het openbaar bestuur, de rechtsstaat en de instituties die daarin essentieel zijn. Daar gaat dit kabinet te nonchalant mee om.

Voorlopig is de onzekerheid rond de constitutionele monarchie even geweken. Er bleek geen meerderheid voor ingrijpende beperkingen van de rol van het staatshoofd, maar de sfeer is nurkser dan we tientallen jaren gewend waren. Het kabinet heeft daar, na een bijzonder gratieloze start tijdens de kabinetsformatie, geen feiten aan toegevoegd. Ook geen positieve.

Het hardnekkige plan om minimumstraffen en hogere griffierechten in te voeren duidt op een miskenning van het grote goed van toegang voor iedereen tot een onafhankelijke rechter. De strafrechter wordt met minimumstraffen onder curatele gesteld en onderworpen aan de politieke waan van de dag. Het idee dat eenieder zijn eigen recht maar moet betalen, berust op een impliciete junglefilosofie van de rechtsstaat.

Zijn er dan geen serieuze juristen meer bij het Rijk? Of is er niemand in de politiek die naar hen luistert? Die vragen drongen zich ook op tijdens het martelende gemodder met de Raad van State, die door toedoen van het kabinet-Rutte het grootste deel van het jaar in het schootsveld van weinig zinvolle publiciteit bungelde. Donner of geen Donner.

Die hele vacaturemaskerade was niet nodig geweest. De Nationale Ombudsman wees er deze week op, naar aanleiding van klachten over de procedure voor een nieuwe vicepresident van de Raad van State, in een brief aan minister Opstelten (Justitie). De advertentieplicht slaat op de overige leden van de Raad van State, niet op de vicepresident. Het wetsartikel is rommelig geformuleerd, de geschiedenis van de totstandkoming van de wet is duidelijk. Alle poespas voor niks.

Was er bij Binnenlandse Zaken geen jurist meer die de recente wijziging van de wet (tussen 2006 en 2010) had gevolgd? En waren er geen ministers of Kamerleden die zich die eindeloze debatten herinnerden? Zoals het nieuwe Kamerlid Taverne (VVD) met zijn motie om de bestuursrechtspraak weg te halen bij de Raad van State er kennelijk ook geen belang aan hechtte dat daar net vier jaar uitputtend over was gedebatteerd.

In sommige landen zijn de instituties een fundamenteel deel van de nationale identiteit. Zie de Verenigde Staten, Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Het toch al beperkte besef van de Nederlandse identiteit kan het niet hebben dat we met onze relatief jonge instituties zo omgaan als de huidige regeringscoalitie. Instituties à la carte zijn het begin van een democratie in nood.

marc chavannes

U kunt de auteur e-mailen via opklaringen@nrc.nl

    • Marc Chavannes