Ze wonen prachtig, voor fl. 287.500

Ruim wonen en een grote tuin voor „bijna niets”. De babyboomers hebben hun eigen huis vrijwel afbetaald. Hun kinderen investeren in zichzelf.

Nederland, Lijnden, 18-12-11 Familie Hendriks. © Foto Merlin Daleman

Tegenover het gemaal, onderaan de dijk in Lijnden, wonen Evelien ten Napel en haar man Kees Jan Hendriks, in een ruime twee-onder-eenkapwoning. Ze zijn allebei 57. Nog maar één van hun drie kinderen woont thuis, Christoffel van 19. Maar vanavond zijn ook Aagje van 25 en Johan van 22 bij hun ouders.

De speksteenkachel brandt. Midden in de grote huiskamer staat een hometrainer, de schaatsen van het hele gezin zijn onder een bankje geschoven. In de kast staan foto’s van hun zeilboot – een lemsteraak – en de dekschuit die Kees Jan een paar jaar geleden kon kopen. De boot voer vroeger voor het familiebedrijf waar Kees Jan nu al 25 jaar eigenaar en directeur van is. Met tachtig medewerkers importeert hij goederen en grondstoffen uit de hele wereld. Elektronica uit China, wijn uit Zuid-Afrika.

Hij en zijn vrouw zijn babyboomers. Ze prijzen zich gelukkig dat ze in de jaren zeventig zijn opgegroeid. Een tijd van „nieuwe verworvenheden”, zegt Evelien. Zij ging als eerste vrouw in het gezin studeren én werken. Vanuit de Noordoostpolder, waar haar ouders als pionier waren gekomen, vertrok ze naar de grote stad. Er ging een wereld voor haar open. Ze deed „een echte jarenzeventigstudie: andragologie”. Haar kinderen moeten lachen als ze probeert uit te leggen wat het inhoudt: „Een soort pedagogiek voor volwassenen.”

Na haar studie ging ze werken. En ze bleef dat doen toen Aagje werd geboren. Het was niet lang geleden dat de overheid vrouwen automatisch ontsloeg als ze gingen trouwen. „Werken kon voor het eerst en daarom deed je het ook.”

Maar veel banen waren er niet. Ze vond er één met uitzicht op een vast contract, in Zwolle. Kees Jan bracht haar en Aagje één keer in de week van Amsterdam naar Zwolle en haalde ze drie dagen later weer op. Als Evelien werkte, had ze een Zwolse oppas voor Aagje.

Toen er meer kinderen kwamen, kochten Kees Jan en Evelien hun huis in Lijnden, deels betaald met de erfenis die Evelien van haar ouders had gekregen, die jong overleden. Het kostte 287.500 gulden. Kees-Jan: „In 1989 was dat heel veel geld.” Evelien viel voor de grote tuin en de nabijheid van snelwegen, waardoor ze overal snel kon zijn. Het huis bleek een goede investering, al weten ze niet hoeveel het nu waard is. Ze hebben het, zoals veel babyboomers, zo goed als afbetaald en wonen er voor „bijna niets”, zegt Kees Jan.

Maar zouden ze hun kinderen aanraden ook een huis te kopen?

Evelien twijfelt. „Nee, niet nu geloof ik”, zegt ze dan, „met al die te koop-bordjes die je overal ziet.”

Kees Jan denkt dat de markt wel weer zal stabiliseren, maar vindt dat de kinderen beter in zichzelf kunnen investeren dan in een koophuis. „Je moet niet krom liggen om te kunnen wonen. Het is niet zo belangrijk om een groot huis te hebben. Het moet functioneel zijn.”

Van de hypotheekrenteaftrek zullen hun kinderen misschien wel niet meer kunnen profiteren. Dat hoeft ook niet, vindt Kees Jan. „Ik heb dat altijd een raar systeem gevonden.”

In het algemeen vindt hij dat er nu te veel op de waan van de dag gereageerd wordt – zie de paniek rondom de pensioenen. „Wij hebben een prima pensioen en ik verwacht dat de kinderen dat ook zullen krijgen. Dat zijn langetermijnontwikkelingen.”

Hij heeft vertrouwen in zijn kinderen. „Net als wij geven ze geen geld uit dat ze niet hebben. Alleen de jongste kan bij vlagen een gat in zijn hand hebben, maar die krijgt meestal net op tijd in de smiezen dat hij zich even moet inhouden.”

Aagje en Johan wonen allebei op kamers in een studentenhuis in Amsterdam. Aagje deelt haar verdieping met zes anderen, Johan met drie. Hij kent de mensen met wie hij woont niet. Evelien zegt: „Vroeger trokken studenten meer samen op. Het is nu individueler.”

Johan zegt: „Ik woon er nét.”

Aagje: „Ja, maar het is wel zo dat je via Studentenwoningweb in zo’n huis terechtkomt, je kent die anderen helemaal niet.”

Aagje zelf heeft een tijd een van de honderden containerwoningen in de buurt van het Amstelstation gehuurd. Een beetje eenzaam vond ze dat. „Je hebt alles voor jezelf, keuken, badkamer, dus je komt niemand tegen.”

Alle drie de kinderen hebben, soms na enige omzwervingen, gekozen voor een bètastudie. Aagje en Christoffel studeren natuurkunde, Johan bètagamma met wiskunde als major. Daarnaast schaatsen ze alledrie. Johan zelfs semiprofessioneel, als marathonschaatser. Hij traint acht à negen keer per week. De ambitie hebben ze van thuis meegekregen. Evelien: „Je ontplooien, talenten benutten, dingen proberen. Uit die tijd komen wij en dat hebben we overgebracht op de kinderen.”

Evelien en haar man hebben zich nooit bemoeid met de studiekeuze van hun kinderen. Kees Jan: „Van mij hoeven ze niet te vertellen waar ze later hun geld mee gaan verdienen. Als je maar nadenkt, en je ontwikkelt.”

Toen Evelien rond haar vijftigste door een reorganisatie haar baan kwijtraakte, is ze vrijwilligerswerk gaan doen, en cursussen. Zoals filosofie. „Daar geniet ik van.”

Denken de kinderen dat zij zelf ooit zo zullen wonen als hun ouders, met een groot, bijna afbetaald gezinshuis?

Aagje: „Waarom niet? Ik ga er wel vanuit.”

Johan: „De perspectieven zijn goed voor exacte studies.”

Aagje: „Maar niet nu. Als ik wetenschappelijk carrière wil maken, moet ik misschien wel een tijdje in het buitenland wonen. En ik heb ook het gevoel dat er tegenwoordig meer tijdelijke banen zijn. Het is niet meer vanzelfsprekend dat je je hele leven bij één werkgever blijft, dus dat maakt het kopen van een huis misschien wat minder logisch.”

Kees Jan en Evelien gingen samenwonen toen ze anderhalf jaar een relatie hadden – op een verdieping in de Javastraat in Amsterdam-Oost. Kees Jan studeerde nog, Nederlands. De vrienden die ze daarna maakten, maakten ze vooral samen.

Geen van hun kinderen denkt dat het bij hen zo zal gaan. Ze hebben alle drie een relatie. De vriendin van Christoffel woont in het oosten van het land. Híér heeft hij zijn vrienden, dáár doet hij dingen met haar. Daarom gaat het juist goed, denkt hij. „Samenwonen tijdens je studie, ik moet er niet aan denken. Je wil nu echt nog je eigen ding doen, als je geforceerd samen alles gaat ondernemen, gaat het zeker uit.”

Aagje: „Vrienden zijn heel belangrijk: relaties gaan uit, vriendschappen blijven.”

Om tien uur zet Evelien zoute sticks op tafel en maakt ze een fles rode wijn open. De kinderen drinken fris.

Merel Thie

    • Merel Thie