Weduwen Rawagede moeten helft vergoeding inleveren

De negen Indonesische weduwen die begin deze maand een schadevergoeding van Nederland kregen voor de executie van hun echtgenoten in 1947, worden gedwongen de helft daarvan af te staan. Het dorpshoofd van Balongsari, het vroegere Rawagede, heeft 50 procent opgeëist van de 20.000 euro die de nabestaanden ieder ontvingen.

Dat bevestigt Liesbeth Zegveld, de advocaat van de weduwen. Ze is geschrokken van de dwang waarmee hun dit geld afhandig is gemaakt. „Er is aangifte gedaan.”

Volgens de Indonesische krant The Jakarta Post zou het afgenomen geld verdeeld worden onder families uit het dorp die geen deelgenoot waren van de schikking met Nederland.

In september oordeelde de rechtbank in Den Haag dat de massamoord door Nederlandse militairen in Rawagede niet verjaard was, zoals de Staat had betoogd. Daarna kwamen de Nederlandse Staat en Liesbeth Zegveld, namens de negen weduwen die de zaak hadden aangespannen, tot een schikking.

Naast de schadevergoeding, in totaal 180.000 euro, bood Nederland bij de herdenking van het bloedbad op 9 december ook excuses aan voor wat daar tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog gebeurde. De schattingen van hoeveel mensen in Rawagede omkwamen, lopen uiteen van 150 tot 430.

Jeffry Pondaag, namens het Comité Nederlandse Ereschulden bij de zaak betrokken, was vorige week in het West-Javaanse dorp om te zien of de schadevergoeding bij de weduwen was aangekomen. „Toen ik bij mevrouw Wanti op visite was, zei ze tot mijn verbazing dat ze een stuk had moeten tekenen dat ze 50 procent daarvan afstaat”, vertelt Pondaag aan de telefoon vanuit Indonesië. „Terwijl wij daar waren, verzamelde zich een menigte voor haar huis om ons te intimideren.”

Pondaag vindt het, net als Zegveld, „onbespreekbaar” dat de vrouwen geld moeten afstaan. Hij is ook teleurgesteld dat de lokale autoriteiten niet optreden tegen het dorpshoofd. De Indonesische mensenrechtencommissie Komnas HAM zou de zaak onderzoeken.

Zegveld: „Wij hebben uitvoerig met de weduwen gesproken over wat ze met het geld zouden doen. Wij waren wel beducht dat de autoriteiten voor zichzelf geld zouden opeisen. Ik heb ze verteld dat er waarschijnlijk veel nieuwe vrienden op hen af zouden komen. Dat ze ook veel vijanden zouden krijgen, hebben we ons onvoldoende gerealiseerd.”