'We moeten verlies nemen, op kantoren én woningen'

Hij werd wel de machtigste ambtenaar van Den Haag genoemd. Nu is Ronald Gerritse de baas van de Autoriteit Financiële Markten. Zijn grootste zorg is de overwaardering van onroerend goed. Steeds meer woningbezitters zullen in de problemen komen als ze hun hypotheek moeten verlengen, zo vreest hij. Nog groter zijn de problemen op de kantorenmarkt. „De vastgoedmarkt zal een verlies van ongeveer 7 miljard moeten nemen.”

Nederland, Amsterdam, 23-12-2011. Portret Ronald Gerritse, bestuursvoorzitter AFM (Autoriteit Financiele Markten). Foto: Olivier Middendorp

Ronald Gerritse adviseerde als topambtenaar van Financiën in het voorjaar van 2009 het kabinet Balkenende-IV over maatregelen om de economie uit het slop te trekken. Hij gaf leiding aan een ambtelijke werkgroep die alle denkbare maatregelen op een rij moest zetten. Op geen enkel onderwerp lag een taboe zelfs niet op de hypotheekrenteaftrek. Na publicatie van de voorstellen van de commissie-Gerritse maakte premier Jan Peter Balkenende niettemin duidelijk dat er niet aan de hypotheekrenteaftrek kon worden getornd. De CDA-leider verbond er zijn politiek lot aan.

Twee jaar later maakte Gerritse de overstap naar de Autoriteit Financiële Markten (AFM). In zijn nieuwe functie spoort hij het kabinet aan om werk te maken van de geleidelijke afschaffing van de aftrek. Volgens de AFM-topman maakt de relatief grote omvang van de private schuld Nederland kwetsbaar, zeker in een tijd waarin de huizenprijzen dalen en onzekerheden rond werk en inkomen toenemen.

„De hypotheekrenteaftrek draagt bij aan die hoge private schuld. De fiscus stimuleert mensen zich maximaal in de schuld te steken. Dat moeten we niet doen”, zegt Gerritse op zijn kantoor bij de AFM. Afschaffing of beperking van de hypotheekrenteaftrek ligt zeer gevoelig. Alleen al praten erover zou de markt al schichtig maken. Maar Gerritse vindt dat het kabinet-Rutte het taboe moet doorbreken. „Ik denk dat het een illusie is te denken dat je bijdraagt aan rust door over een probleem te zwijgen”, zegt hij.

Het kabinet kan volgens Gerritse beter duidelijkheid verschaffen. „Niemand pleit ervoor morgenochtend om half acht een streep te zetten door de renteaftrek. Dat zal altijd heel geleidelijk gaan. Het gaat ons erom overmorgen weer een functionerende woningmarkt te hebben en een einde te maken aan kwetsbare schulden”.

Vanuit zijn werkkamer heeft Gerritse uitzicht op het Frederiksplein waar De Nederlandsche Bank is gevestigd. Eerder dit jaar pleitte ook president Klaas Knot al voor het aanpakken van de hypotheekrenteaftrek. Knot vindt dat de maximale hypotheek die huizenkopers kunnen afsluiten, verder omlaag moet.

Dit jaar is het te lenen bedrag ten opzichte van de woningwaarde al verlaagd naar 106 procent. Maar dit is nog steeds een enorm hoog, vindt Knot, die zich grote zorgen maakt over de hoge huizenschulden. „In het buitenland zijn percentages boven de 80 procent zeer ongebruikelijk. Meer kunnen lenen dan het aankoopbedrag is een typisch Nederlands fenomeen, dus ik vind inderdaad dat de ratio van 106 procent verder naar beneden moet”, zei Knot vorige week in Vrij Nederland.

Is er sprake van een gecoördineerde actie van de twee toezichthouders DNB en AFM op de onbeperkte aftrek van de hypotheekrente? De twee dit jaar aangetreden topmannen kennen elkaar goed. Ze werkten jarenlang samen bij het ministerie van Financiën. Hebben Klaas Knot en Ronald Gerritse hun uitspraken op elkaar afgestemd? Gerritse lacht. „We hebben veel gesproken en wij hebben een gelijkluidende zorg. Wij zijn van dezelfde school.”

Hoe groot is het probleem op de hypotheekmarkt?

„Er zijn zo’n 300.000 mensen met een inkomen van 35.000 euro per jaar die 5 à 6 jaar geleden een huis hebben gekocht, op de top van de markt. En daarbij hebben ze niet zelden meer geleend dan de waarde van het huis. Vaak is er niets afgelost. De waarde van het huis is inmiddels verminderd, de hypotheek niet. Veel van de mensen moeten nu hun rente aanpassen en de meest kwetsbare groepen komen in de problemen.”

Voorziet u Amerikaanse toestanden?

„In de VS heeft het aandeel van de executieverkopen op het hoogtepunt van de malaise op de woningmarkt zo’n 40 procent belopen. In Nederland ligt dat een factor 50 lager. Dat is onvergelijkbaar. Maar het aantal mensen met een betalingsachterstand van drie maanden of langer bedraagt in Nederlands inmiddels wel 45.000, toch 13.000 meer dan een jaar geleden.”

Voor zijn aantreden als AFM-voorzitter was Ronald Gerritse de machtigste ambtenaar in Den Haag. Achter de schermen speelde de secretaris-generaal van Financiën een hoofdrol in de financiële crisis: bij de reddingsoperaties in het bankwezen, de problemen met de consumentenbank DSB en internetspaarbank Icesave, en bij de discussie met Brussel over staatssteun.

In februari benoemde het kabinet Ronald Gerritse („na vijven PvdA-lid”) als topman van de Autoriteit Financiële Markten. Hij is de opvolger van oud-minister Hans Hoogervorst (VVD). Saillant is dat Gerritse ooit in 2003, door Hans Hoogervorst naar Financiën gehaald is. Daarvoor was hij secretaris-generaal op het ministerie van Sociale Zaken en algemeen secretaris van de Sociaal Economische Raad. „Ik ben verknocht aan de publieke zaak”, zegt hij.

De AFM houdt toezicht op de financiële markten: op sparen, beleggen, verzekeren en lenen. „Het is belangrijk dat het publiek en het bedrijfsleven vertrouwen hebben in de financiële markten”, zegt Gerritse. „Dat vertrouwen moet worden verdiend: door eerlijkheid en door transparantie. Het is eigenlijk heel eenvoudig.”

Naast de AFM houdt ook DNB toezicht op de financiële markten. De centrale bank is verantwoordelijk voor het zogenoemde prudentiële toezicht. DNB controleert of financiële ondernemingen hun verplichtingen nakomen.

Wat baart, naast hypotheekrente, de bestuursvoorzitter van de AFM nog meer zorgen?

„De markt voor vastgoed. Op dit moment staat 15 procent van de kantoren leeg. Dat probleem kun je een tijdje vooruit schuiven, maar op een gegeven moment moet je je verlies nemen.”

Hoe groot is dat verlies?

„De kantorenmarkt zal een verlies van ongeveer 7 miljard moeten nemen.”

Hoe zijn die problemen ontstaan?

„In de jaren negentig was er veel aanbod van geld. Geld op zoek naar een bestemming. De risico’s werden stelselmatig onderschat. Er werd dus zeer veel ontwikkeld en gebouwd. Ook de gemeentes hebben er via de gronduitgifte veel aan verdiend. Het is een explosief mengsel geweest van ongeziene risico’s en een teveel aan geld. Iedereen die dacht hierop te gaan cashen, zal nu zijn verlies moeten nemen: ontwikkelaars, beleggers, banken en ook gemeenten.”

Vindt u dat de politiek in Nederland genoeg doet om de eurocrisis te bestrijden?

„Europa moet allereerst zijn zaakjes op orde brengen. Dat zal geld kosten, ook in Nederland. Het is goed om je te realiseren dat Nederland voor zijn welvaart afhankelijk is van Europa. We zullen in onze toekomst in Europa moeten investeren.

Nederland moet zorgen dat het niet kwetsbaar is binnen de Unie. Daarvoor moeten vijf zaken gebeuren. Ten eerste moet de overheidsschuld omlaag. Ten tweede moet de private schuld – van burgers en bedrijven – omlaag. Vandaar ook onze inzet op de hypotheekrenteaftrek en de vastgoedsector. Voorts moeten de problemen in de markten geadresseerd worden: de woningmarkt, de arbeidsmarkt, de pensioenen. En als laatste moet de groei weer opgepikt worden. Ik bagatelliseer niet hoe moeilijk dat voor de politiek kan zijn. Het kabinet zal met voorstellen moeten komen om die problemen aan te pakken. Liefst met steun van de oppositie. Dat is een nationale opgave.”

Is de inzet van Nederland in Brussel voldoende?

„Wat er op de financiële markten gebeurt is een resultaat van wat er in Europa besloten wordt. Hoe helderder het signaal is dat vanuit Brussel komt, des te beter dat is. Politiek blijft het lastig om met 17 of zelfs 27 lidstaten stappen te zetten. We zijn pas halverwege, wat de maatregelen betreft. En er is nog altijd veel te veel onduidelijkheid. Maar het kabinet draagt effectief bij aan de discussie over een degelijke verdere opbouw van de Europese Unie en tegelijkertijd trekt het ook de middelen uit om te voorkomen dat de crisis ontspoort.”

Gold dat ook voor de manier waarop het kabinet bepleit heeft dat banken mee moesten betalen aan de herstructurering van Griekse schulden?

„Dat is ongelukkig gegaan. Het had niet van de daken geschreeuwd hoeven worden. En het was beter geweest als het achteraf, bij het feitelijke faillissement van de Grieken, nuchter en zakelijk was geregeld met de schuldeisers, de banken. Ook de discussie over de mate waarin banken vrijwillig mee zouden doen aan die regeling was ongelukkig. Maar ook hier geldt dat partijen bereid moeten zijn verliezen te nemen.”

Het beeld is toch dat het kabinet de Europese maatregelen een beetje contrecoeur neemt. Is dat een gebrek aan leiderschap?

„Nee, het euvel is meer dat de politiek tot nu toe heeft gehoopt dat ze er zouden komen met de opstelling dat ze niet verder wilden gaan dan strikt noodzakelijk was. Dat heeft vooral de houding van Duitsland bepaald. Terwijl de opstelling eigenlijk had moeten zijn: je moet nu meer willen doen dan nodig is, omdat dat het juiste signaal geeft. Dat geldt voor de bestuurbaarheid van Europa, voor hervormingen in landen als Griekenland en Italië en voor het noodfonds. Het is hangen en wurgen geweest om landen tot meer discipline te dwingen.”

Die hervormingen staan in Griekenland en Italië nu stevig op de agenda, maar de bestuurlijke hervorming van de Unie komt niet echt van de grond.

„Nee, terwijl dat heel belangrijk is. Er is ook visie nodig. Uiteindelijk moet de politiek de stap durven zetten naar een budgettaire unie, waarbij de nationale begrotingen meer afgestemd en gecontroleerd worden. Die stap zet de politiek tot nu toe niet, maar het is noodzakelijk voor een goed functionerende monetaire unie. . Zonder dat komen we er niet.”

Is het toezicht op Europese financiële instellingen verbeterd sinds de crisis?

„Ja, dat was een enorme lappendeken, binnen sommige landen, maar helemaal binnen de hele Unie. Daar is meer coherentie in gekomen, onder meer door de oprichting van drie overkoepelende toezichtinstanties. Ook is er een toezichthouder bijgekomen die de systeemrisico’s van de hele economie in kaart brengt.”

En zie je daardoor als AFM ook meer dan je in 2008 zag?

„Ja, destijds zagen we nauwelijks waar de risico’s op de bankbalansen neersloegen. Dat is nu, na een aantal stresstests, veel beter. Maar er gaan nog steeds veel producten rond op de markten waarvan je niet weet waar de risico’s belanden.”

Zoals?

„De kredietverzekeringen op staatsschulden bijvoorbeeld. Op de schulden van de Europese overheden is voor 170 tot 180 miljard aan verzekeringen afgesloten. Die zijn geschreven, verkocht en doorverkocht. Daarvan weten we niet waar ze terecht komen als het mis gaat. We hebben na de crisis van 2008 afgesproken dat er een centrale organisatie moet komen die in elk geval inzichtelijk maakt wie de verzekeringen uitschrijft en wie ze koopt, en die al die verplichtingen zeker stelt, maar die organisatie is er nu nog niet.”

Neemt u het de sector kwalijk dat ze ondanks de crisis toch weer met complexe producten de markt op gaan?

„Nee, ik neem niemand kwalijk dat ze producten ontwikkelen, zelfs geen complexe producten. Verhandelbare fondsen, ook van samengestelde producten, zijn nodig voor het functioneren van de financiële markten. Daar lig ik op zich niet wakker van. Waar ik van wakker lig, is dat de risico’s verdwaald raken. Waar wij als toezichthouders voor moeten zorgen is dat ze genoeg grip hebben op de risico’s die dergelijke producten met zich mee kunnen brengen. Voor de professionele en de consumentenmarkt moet gelden: hoe begrijpelijker een product, des te beter het is. En als je een product niet begrijpt, moet je er niet in handelen.”

Hoe is de relatie met De Nederlandsche Bank? Het is publiek geheim dat de samenwerking de afgelopen jaren wat stroef verliep.

„In het rapport van de commissie Scheltema van maart 2010 stond dat DNB en AFM ‘niet elkaars grootste bewonderaars’ waren. Dat klopte wel. Klaas (Knot, red.) en ik hebben toen we aantraden afgesproken: geen gedoe, en geen gehakketak. We zetten samen de schouders eronder. Zo is het ook gegaan. We weten van elkaar goed wat we doen. Het is op zich een groot goed dat het toezicht in Nederland is opgedeeld in gedragstoezicht – waar de AFM voor is – en het prudentiële toezicht – dat doet DNB. Maar het werkt alleen als de beide toezichthouders geen autisten zijn. Je moet wel blijven overleggen.”

Gebeurt dat nu voldoende?

„Ja, ik spreek Klaas regelmatig, of eigenlijk onregelmatig: als het nodig is namelijk. Ik heb laatst wel bij Financiën gepleit voor structureel overleg tussen de AFM, DNB en het ministerie, juist om de systeemrisico’s te bespreken. Dat zal vanaf begin volgend jaar ook echt ingevoerd worden.”

Heeft u nog meer verzoeken aan de politiek? Heeft u als toezichthouder genoeg bevoegdheden om uw werk goed te doen?

„Nee, niet principieel, het gaat goed zoals het nu gaat. We sturen elk jaar een zogenoemde wetgevingsbrief naar het ministerie van Financiën met daarin onze wensen. Die van dit jaar legt bijvoorbeeld een nadruk op onze wens om marktmisbruik op de beurs beter te detecteren. Daarvoor zouden we beter en sneller inzicht willen hebben in de identiteit van handelaren tijdens transacties op de beurs. Dat lig nu voor bij Financiën.”

In de beeldvorming zijn de boetes die de AFM uitdeelt laag. Schrikt een kolos als ING van een boete van een ton wegens het onvolledig informeren van klanten over hypotheekproducten?

„Wat je nu publiekelijk veel ziet, zijn boetes van zaken die nog dateren uit het oude regime, van voor 2009. We kunnen inmiddels boetes opleggen van 4 miljoen euro, en als je recidiveert tot 8 miljoen euro. Daarbij: het gaat vaak niet om de hoogte van de boete, maar om het signaal. Geen enkele instelling wil een boete krijgen uit angst voor imagoschade.”

Daarover gesproken: in veel van de rapporten van de AFM wordt een misstand in een sector aan de kaak gesteld, en vervolgens worden daar niet de namen van de bedrijven die de fout in gaan genoemd. Zo berokkent u de goede bedrijven schade.

„Dat is iets waar we inderdaad naar aan het kijken zijn. Het is goed dat we restricties hebben voor wat betreft de openbaarmaking van gegevens van individuele bedrijven. Maar we onderzoeken nu of we in zo’n rapport misschien de bedrijven die het wél goed doen wat explicieter kunnen benoemen. Je moet daar wel mee oppassen: wij geven ze een vergunning, en verder niks. Je moet niet allerlei complimenten gaan uitdelen. Maar door iets meer de positieve uitzonderingen te benadrukken voorkom je wel dat een hele sector gegijzeld wordt door enkele rotte appels.”