We konden ieder ons eigen lot dragen

Ik kijk naar de foto in de krant van de drie mannen – een Zuid-Afrikaan, een Zweed en een Nederlander. Ze zijn in Mali ontvoerd door Al-Qaeda in de Maghreb. Ze zitten op hun knieën op een soort kleed dat op de grond, in de zon ligt. Schuin achter hen staan vier mannen met mitrailleurs. Twee hebben van die lange kogelkettingen om. Een van de gewapende mannen laat zijn gezicht zien. De andere drie zijn gesluierd.

Als het je man was, of je broer, die daar zat. Het intense gevoel van machteloosheid. Er is geloof ik geen verschrikkelijker gevoel dan dat van machteloos medeleven met iemand van wie je veel houdt. Hij lijdt, maar je kunt er niets aan doen.

In dit geval is het natuurlijk helemaal vreselijk. Hij is in de macht van mensen die zich niet zullen ontzien om god mag weten wat te doen, ter ere van hun religieuze overtuigingen, of van hun hang naar macht of van een onverkwikkelijke mengeling van die twee.

De vrouw van de Nederlander is aan de ontvoering ontsnapt. In een impuls ongetwijfeld. In zo’n situatie zul je wel instinctief handelen, instinctief wegduiken. Wat denkt ze nu? Was ik maar meegegaan? Hopelijk weet ze wel dat dat een zinloze gedachte is.

Hoe verdraagt ze het, en de andere vrouwen, die van de Zweed en de Zuid-Afrikaan, om deze foto te zien. Kon hij haar maar een teken geven. Iets waaruit zou blijken dat hij nog moed heeft.

Maar aan de andere kant: nu kan ze denken dat hij nog moed heeft. Geloven dat hij die heeft. Stel je voor dat zou blijken uit dat teken dat hij géén moed meer heeft.

Etty Hillesum schreef in 1943 in een brief uit Westerbork aan een vriendin. Iets waar ik vaak aan denk, omdat het me destijds toen ik dat las, in 1981, zo schokte. Ze wilde, schreef ze, niet tegelijk met haar ouders vanuit het kamp op transport gaan. „Het is geen angst voor Polen dat ik niet met m’n ouders samen ga, maar angst om ze te zien lijden.”

Ze heeft op dat moment al heel wat leed gezien, wanhopige mensen, gemartelde mensen. Maar ze heeft steeds het gevoel gehad dat ze het aankan, dat ze alles wat haar en met haar zo veel anderen overkomt, kan aanvaarden. Ze schrijft heel terecht: „Maar men mag dat alleen voor zichzelf en niet voor anderen.” En haar ouders hebben het niet aanvaard, vreest ze.

Je zou denken: dan moet je juist bij ze zijn, een arm om ze heen slaan, ze moed inspreken. Dat doet ze immers steeds bij al die vreemden die ze daar tegenkomt, mensen die ze helpt zich gereed te maken voor hun transport.

Maar als je er even over nadenkt weet je: dat kan ze omdát die anderen vreemden zijn. Haar ouders, die ze zo liefhad, zouden al haar kracht ondermijnen en dan kon ze voor niemand meer iets betekenen.

Zou de vrouw van Sjaak Rijke, want zo heet de Nederlandse man, zulke dingen denken? Het is vast wel waar, dat hij in zijn gevangenschap sterker kan zijn zonder de zorg voor haar. Dat hij nu misschien de andere twee wel eens op kan beuren, dat hij het gevoel kan hebben: ik kan dit aan. Maar zou hij haar daar ook zien, moeten zien dat zij leed, dan kon hij dat niet.

En zij zou omgekeerd terneer gedrukt worden door wat hem overkwam.

Dus het is goed, nee, veel beter dat Tilly, zo heet zijn vrouw, ontsnapt is.

Inmiddels is het heel stil rond de ontvoerden. Waarschijnlijk, hopelijk, wordt er veel diplomatieke kracht aangewend om ze vrij te krijgen. Voor Kerstmis.

Ik stel me voor hoe de vrouwen hier en de mannen daar in gedachten met elkaar praten. En ik hoop dat die gesprekken, die denkbeeldige gesprekken, zouden gaan zoals Hillesum ze voerde met een vriend die op transport moest. Ze spraken niet over het naderende vertrek, schrijft ze. „We maakten het elkaar niet moeilijk met ons verdriet, dat we afscheid moesten nemen.” En dan schrijft ze de zin die je, in al z’n terloopsheid, tot leefregel zou willen maken: „We konden ieder ons eigen lot dragen.”

De meesten niet, vervolgt ze, die laden hun lot op de schouders van anderen. „En daaronder zou men kunnen bezwijken, heus niet onder z’n eigen lot.”

Zo leven, dat je dat kunt, je eigen lot dragen. Dat je het niet op de schouders van anderen legt. En dat je ook, dat is nog een kunst op zichzelf, een ander toestaat zijn eigen lot te dragen en niet steeds denkt dat hij daar te klein of te zwak voor is. Het eigen lot kunnen dragen, mag men waarschijnlijk ook alleen van zichzelf vragen. Maar je kunt het een ander wel van ganser harte toewensen.

    • Marjoleine de Vos