Spaanse priester zoekt gelovigen met de miswijn in een beugelfles

Het platteland van Asturië vergrijst snel, maar het Spaanse priestercorps vergrijst nog sneller. Om alle parochies open te houden scheurt priester Pablo Gutiérrez van het ene naar het andere tochtige kerkje. Correspondent Merijn de Waal rijdt met hem mee.

Als er ook maar één gelovige in de kerk zit, trekt Pablo Gutiérrez zijn wit-paarse habijt aan, richt hij het altaar in en draagt hij de mis op. „Er gebeurt al zo weinig in deze dorpen. De jeugd trekt weg. De achterblijvers klagen dat niets meer is zoals het was. Dan is het belangrijk dat de kerk blijft.”

Gutierréz is priester in het dunbevolkte binnenland van Asturië, in het noordwesten van Spanje. De bevolking krimpt er snel, door vergrijzing en verstedelijking.

In het weekeinde scheurt Gutiérrez – een vijftiger met een strenge blik in een spits gezicht – in zijn oude Hyundai van het ene naar het andere gehucht. In oude, tochtige kerkjes draagt hij haastig een mis op van nog geen half uur. Vaak voor maar een handvol kerkgangers.

De kerken in Asturië raken leger en leger, ook al omdat de Spanjaarden hun katholieke geloof steeds minder intensief praktiseren. Het is een slinkende minderheid van vooral oudere vrouwen die nog elke week naar de mis gaat.

Naast de slinkende schare gelovigen is er ook nog een groeiend priestertekort. Want nog sneller dan de bevolking van Asturië vergrijst het Spaanse priesterkorps. Dit jaar meldden zich bij Spaanse seminaries 245 aspirant-geestelijken aan, de helft van het aantal priesters dat jaarlijks overlijdt. De kerk wil geen terrein verliezen en ook op het leeglopende platteland koste wat kost alle parochies openhouden.

Op een priester als Gutiérrez legt dat een zware druk. Op zaterdagen is zijn route het langst, tot wel honderd kilometer.

11.30. Pablo Gutiérrez rijdt naar Collada, een gehucht van vijftig inwoners. „Ik voer de dienst daar uit in de voormalige school, want de kerk kunnen we niet in nu het dak gerepareerd wordt”, legt Gutiérrez onderweg in de auto uit.

Een handvol dorpelingen wacht hem op bij het schooltje. Het werd begin deze eeuw gesloten omdat er geen kinderen meer wonen in het dorp. Het gebouwtje doet nu dienst als buurthuis, waar aan de bejaarden dans- en gymnastieklessen worden gegeven. En op zaterdag de mis.

Voor een priester geeft Gutiérrez niet veel om decorum. Hij trekt het habijt over zijn gewone kleren aan terwijl hij midden in het klaslokaaltje staat, dat rond het middaguur gestaag volloopt. Laatkomers moeten zelf een kinderstoeltje van een stapel pakken. Als altaar dient een oud bureau, met daarover een gehaakt kleedje. De miswijn heeft Gutiérrez in een beugelfles in zijn rugzakje zitten. De hosties in een koektrommel. Op het schoolbord achter hem is een lachende koe getekend.

De dertien kerkgangers zijn allemaal de pensioengerechtigde leeftijd voorbij. Gutiérrez houdt hen voor dat ze het gist in de samenleving zijn. „Zoals gist in een brood, geven gelovigen de samenleving structuur.”

12.30. De mis is afgelopen. Gutiérrez praat met een dorpeling die hem nodig heeft voor een begrafenis. „Het zijn bijna alleen maar nog begrafenissen en ziekenbezoeken die ik doe”, vertelt de pastoor, als hij zijn auto het dorp uit stuurt. „Zelden doe ik nog een doop of huwelijk. Misschien vijf per jaar.”

Gutiérrez had aanvankelijk zeven parochies. Toen een collega twee jaar geleden op 79-jarige leeftijd met pensioen ging, kreeg hij diens zes parochies er ook bij.

Of hij zelf een opvolger zal hebben, weet hij niet. „Mijn voorganger zat met vijfhonderd op het seminarie. Ik had zeventig seminariegenoten. En momenteel telt het seminarie nog een dozijn leerlingen.”

In naburige parochies zijn inmiddels priesters uit Peru, Chili en Ecuatoriaal-Guinee neergestreken. „Ze helpen ons een handje, maar het is niet genoeg.”

Op vakantie gaat hij zelden: er zijn amper collega’s om hem te vervangen. „En dit werk gaat het hele jaar door.” In het voorjaar is er de Goede Week, dan de dorpsfeesten in de zomer, en in de herfst een lange reeks feestdagen. Vorig jaar is hij er vijf dagen uit geweest. Op bezoek bij zijn broers en moeder, in Gijón.

13.00. Bij aankomst in het volgende dorp, Rellanos, staat niemand te wachten. Een kwartier later is de kerk nog steeds leeg. In dit dorp komt Gutiérrez tweewekelijks. „Maar vorige week hadden we hier een ingelaste dienst, omdat er een sterfdag te herdenken viel. Misschien dat er daarom vandaag niemand is. En het is slachttijd, hè.”

Als om half twee nog niemand is komen opdagen, sluit Gutiérrez de kerk weer. Onderweg in de auto legt hij uit dat hij maar één manier ziet het priestertekort aan te pakken: „Ook al verandert de samenleving snel, alleen als de Kerk zichzelf blijft, kan ze laten zien hoeveel waardevols het geloof te bieden heeft.”

Het priesterambt toegankelijker maken, bijvoorbeeld door het open te stellen voor vrouwen of door het celibaat af te schaffen, wijst hij af. „Het lijken me geen oplossingen. Ik denk eerder dat het aantal mensen dat zijn roeping vindt, er door zou afnemen.”

14.00. Tijd voor lunch in Navelgas, het grootste dorp in zijn kerkgemeente. Bij een bord pote – een Asturiaans gerecht met kool, aardappel en worst – spreekt Gutiérrez over het moreel verval in modern Spanje. Hij ziet een gezagscrisis. „Vroeger kwamen kinderen de priester vertellen dat de leraar op school hen had geslagen. Dan antwoordde je: ‘Dan zul je wel stout zijn geweest.’ Nu spreek ik leraren die bedreigd en mishandeld worden door leerlingen en hun ouders. Ik zeg niet dat we terug moeten naar de strengheid van weleer, maar de huidige situatie is ook niet goed.”

Na de lunch rijdt Gutiérrez naar huis. Hij neemt plaats in zijn leunstoel voor de televisie. Met zijn elleboog op zijn liturgieboek en het drieuurjournaal op vol volume, valt hij in een korte slaap.

15.45. Na de siësta rijdt Gutiérrez naar Santa Eulalia de Miño. Hier zullen twintig mensen de mis bijwonen. Allemaal zijn ze de vijftig jaar ruim gepasseerd, op Eduardo Alvarez (35) na. „Jongeren komen niet meer naar de kerk, maar dat betekent niet dat we niet meer geloven”, vertelt hij. „We geven nog wel om tradities, zoals het samen vieren van de feestdagen. Maar niet meer wekelijks. We hebben andere plekken om elkaar te ontmoeten.”

Zijn 73-jarige oom mengt zich in het gesprek. Hij ziet niet in waarom het priesterambt voorbehouden moet blijven aan celibatair levende mannen. „Onze priester moet nu dertien parochies bedienen, dat is toch niet te doen? Natuurlijk is het priesterambt een roeping, maar je mag er best een leven naast hebben. De clerus moet vernieuwen, wil de Kerk overleven.”

17.00. Gutiérrez zit alweer in zijn auto, op weg naar het vierde dorp, Los Francos, met vijftig inwoners. Vier van hen zitten vandaag in de schemering wolkjes te blazen in de kou. Drie oudere vrouwen en een manke man. Volgens een van de vrouwen „is dit een rampdorp. Hier is al jaren niets jeugdigs te beleven.”

Eind vorige eeuw sloot de katholieke dorpsschool, klaagt een andere vrouw. „Alle kinderen gaan nu naar de openbare school. Daar komen ze niet met het geloof in aanraking.”

18.15. Als Gutiérrez arriveert in de kerk van Tablado de Riviella ruikt het binnen naar zwavel: trouwe kerkgangster Luisa Rodríguez heeft alvast de kaarsen met lucifers aangestoken. De bijna gepensioneerde postbode helpt de pastoor graag met dit soort klusjes, vertelt ze na afloop van de dienst.

Vijf van de zes misbezoekers zijn vandaag vrouw. Maar of vrouwen ook priester zouden moeten kunnen worden durft Rodríguez – met de pastoor binnen gehoorsafstand – niet te zeggen. „Vrouwen behoren zeker tot de meest trouwe gelovigen. Sommigen zullen een roeping voelen. Maar of dat een goed idee is, daar heb ik geen mening over.”

20.00. In de kroeg bij een alcoholvrij biertje wil Gutiérrez best beamen dat de Kerk als instituut in de Spaanse samenleving invloed verliest. „Daartegen zijn geen wondermiddelen. De enige oplossing is onszelf blijven.”

Dat veel van zijn eigen parochianen nog steeds de mis zouden bezoeken als de kerk zou moderniseren, vindt hij geen reden om van die gedachte af te wijken. „Vroeger hadden we een brede massa gelovigen. En nu, misschien, tja, een kleinere groep. Maar wel één die het geloof dieper in zich draagt.”

    • Merijn de Waal