Lofzangen op tietjes en oren

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, nu een bloemlezing van erotische poëzie – van Dioscurides tot en met Ginsburg.

Bloemlezingen, daar zijn er veel van. Maar deze is anders. Ik sloeg haar open en het was meteen raak: ‘Ik spreidde haar roze dijen / en zonk in haar / bloem als een god’. Dan wil je meteen weten hoe het verder gaat. ‘Met haar ranke benen om me heen / liep ze zonder te verflauwen / de wedloop van de liefde’. Mooi gezegd. Het loopt soepel, met die lange ee van ‘benen’ en ‘heen’ en die ritmische herhaling van de l. En het blijft mooi doorgaan: ‘met ogen die smachtten / en dekblaadjes die wild / sidderden in de storm’. De oude schoolboekjesvraag luidt dan: wat bedoelt de dichter met ‘dekblaadjes’? Het woordenboek geeft weinig aanwijzingen. Ik denk dat de blaadjes bij ‘haar bloem’ (regel 3) horen. En dan zullen er wel de (kleine) schaamlippen mee bedoeld zijn. Die sidderden wild in de storm ‘tot onze witte waanzin / was uitgewoed en zij slap / lag: een lam lichaam’. En ook die laatste regels lopen weer soepel, met die mooi meebewegende herhaling van de w en de l, en dat mooie beeld van ‘onze witte waanzin’ voor de gezamenlijke liefdesvervoering.

Alle lof voor de vertaler, Paul Claes, die hier iets vertaalde uit het Grieks, uit de 3de v. Chr., van ene Dioscurides. Het is een klein wonder dat zulke gedichten zo lang geleden al werden geschreven, en bewaard zijn gebleven. Van zulke kleine wonderen hangt deze bloemlezing aan elkaar: honderd erotische gedichten uit de wereldliteratuur, vanaf de Griekse oudheid tot heden. De samenstellers, Koen Stassijns en Ivo van Strijtem, hebben alleen vertalingen opgenomen, met geen andere reden dan dat Nederlandstalige gedichten ‘toch al overduidelijk in menige bloemlezing aanwezig zijn’.

Het gaat hier om begrijpelijke, aanschouwelijke en verstaanbare poëzie, van begin tot eind onderhoudend en opwindend – opwindender dan de gemiddelde Nederlandstalige dichtbundel. Alle tijden en alle talen komen voorbij. Van Grieks, Romeins, Chinees, Arabisch, Indiaas en Perzisch gaat het, vanaf 1350 na Chr., door naar Europa en daarna, vanaf 1800, de hele wereld over, tot en met Rusland, Noord- Amerika, Latijns Amerika, en Australië. Afrika ontbreekt. En de Zuidpool ook.

Er zitten grote namen bij (Sapfo, Catullus, Ovidius, Villon, Shakespeare, Verlaine, Kavafis, Drummond de Andrade), maar daartussen ook veel onbekenden. Er trekken allerlei vormen van liefde voorbij. Homo, hetero, lesbo. Van voren en van achteren, van boven en van onderen. Ingetogen en woest, kort en lang, in vrije verzen en in strakke sonnetten. Naast een beschrijving van hoe straathonden het doen staat een betoog van Allen Ginsberg over de belevenissen van zijn sluitspier.

Naast de ‘Lof van het mooie tietje’ vinden we lofzangen op het roze oor van de geliefde. Er is een lang gedicht over vijgen, en een gedicht waarin een cervelaatworst eraan te pas moet komen. Soms is de dichter in vervoering (‘Volkomen vrouw, appel van vlees, hete maan’), soms gaat het om simpele tips: ‘Een vrouw moet boven als van onder nat zijn.’

Het mooiste gedicht is van Nicanor Parra, uit Chili. Het enige dat een tegengeluid laat horen. Aan het woord is een vrouw die zichzelf ongevraagd heeft uitgekleed en een uur lang haar geliefde met vragen bestookt. Maar die hoeft niet zo nodig. Hij blijft geduldig, ontwijkt haar vragen en blijft haar vriendelijk, op kantoortoon, verzoeken: ‘Kleed je aan, voordat je man komt.’ Dat smaakt ook naar meer. Ik zou nu ook wel eens een bloemlezing van honderd niet-erotische gedichten uit de wereldliteratuur willen lezen.

Koen Stassijns en Ivo van Strijtem (samenst.): Mmmm... zei zij. 100 erotische gedichten uit de wereldliteratuur. Lannoo. 168 blz. € 14,95.

    • Guus Middag