Kind in spiegel

Een bijna 2-jarig jongetje ziet zichzelf voor het eerst in de spiegel. Hoe zal hij reageren?

Dit fascinerende gegeven is het uitgangspunt van de documentaire Svyato van de Rus Victor Kossakovsky. Hij is een eigenzinnige filmmaker. Er worden veel te veel films gemaakt, vindt hij, al die documentaires die hoofdzakelijk informatie overdragen interesseren hem niet. Een film moet je iets laten voelen wat je niet eerder gevoeld hebt.

In Svyato houdt Kossakovsky zich aan zijn principes. Hij laat je als toeschouwer iets beleven wat je nooit eerder bewust hebt meegemaakt. Je ontdekt hoe verbazingwekkend het is dat er iets bestaat waarin je naar jezelf kunt kijken. Wat voor ieder mens routine is geworden, blijkt allerminst een vanzelfsprekendheid. Svyato gaat over de tijd die aan de routine voorafging en over de overgang naar de tijd daarna – de rest van het leven.

De veertig minuten durende film dateert al van 2005 toen hij op het IDFA vertoond werd. Op de website van het IDFA is de film kosteloos permanent te zien. Ik zag hem deze week voor het eerst toen hij in De Balie in Amsterdam vertoond werd in een reeks door Trouw georganiseerde filmvoorstellingen. Willem Jan Otten besprak de film na afloop met collega-schrijver Oek de Jong.

In Trouw had Otten tevoren een indringende beschouwing over Svyato geschreven. Hij wees erop dat „er voor onze ogen iets onherroepelijks en fataals gebeurt, en: iets essentieel menselijks, iets wat van Svyato een mens maakt, zijnde: een schepsel dat met zijn zelfbesef wordt opgescheept.”

Ik vroeg me af hoe Kossakovsky dit voor elkaar had gekregen. Svyato bleek zijn zoontje te zijn. In zijn beschouwing ging Otten er abusievelijk vanuit dat het een meisje was, maar Kossakovsky heeft zelf in een interview gezegd dat het zijn zoontje is.

Twee jaar lang heeft hij zijn kind systematisch van spiegels weggehouden. Toen stelde hij thuis in een kamer een grote spiegel op, liet zijn kind op de grond spelen en wachtte, al filmend, het moment af waarop Svyato de spiegel ontdekte.

Het kind doorloopt alle stadia die met zo’n raadselachtige ontdekking gepaard gaan. Verbazing, lacherigheid, pogingen tot contact, agressie, verwarring, boosheid, verdriet. Hij wil kennismaken met dat vreemde wezen dat hem in alles nadoet, en hij kan maar niet begrijpen dat dit onmogelijk is.

Pas als zijn vader op het einde van de film naast hem voor de spiegel gaat zitten en wijst: „Waar is Svyato?”, dringt tot hem door wat er aan de hand is. Hij ziet zijn vader weerkaatst en begrijpt dat met hem hetzelfde gebeurt. Hij is zichzelf geworden. Uitgelaten kust hij zijn vader en zijn spiegelbeeld.

Dat is een ontroerend einde. Otten had niets te veel gezegd: het is een bijzondere film en een bijzondere filmervaring. Toch knaagde er bij mij iets. Otten en Oek de Jong waren het er na afloop over eens dat de filmende vader op zeker moment móést ingrijpen. Het was, zoals Otten zei, voor het kind ‘een ontwrichtende ervaring’. „Hij kon het niet meer aan”, beaamde De Jong.

Dat geeft de film ook een dramatische spanning. Maar mag je het een kind aandoen? Eerst onthoud je hem de natuurlijke, geleidelijke kennismaking met het fenomeen spiegel, vervolgens forceer je een ingrijpende confrontatie.

Hopelijk mag Svyato, als tegenprestatie, te zijner tijd zijn vader filmen wanneer die als dementerende bejaarde zichzelf in de spiegel aanstaart.

    • Frits Abrahams