Irak: beter af onder Saddam

Na de val van tirannen verwachten de Arabische vrouwen vrijheid. In werkelijkheid blijkt in het ene na het andere land, van Irak tot Egypte, dat hun positie juist slechter wordt. Niet alleen door toedoen van fundamentalisten, maar ook door de ‘gewone man’.

Dat de val van de oude tiran geen verbetering hoeft op te leveren voor Arabische vrouwen bewijst de situatie in Irak. „We waren zo gelukkig na de val van Saddam Hussein, maar we zijn nu weer zo bezorgd!” Dat zei de Iraakse vrouwenactiviste Nadje al-Ali vorige week op een bijeenkomst over vrouwen in de Arabische Lente van de Arabisch-Nederlandse Vrouwenkring in Den Haag. Nu was de Ba’ath- (wedergeboorte-)partij waaruit Saddam voortkwam in de oorspronkelijke gedaante ook relatief progressief. Nadje Ali omschreef de eerste jaren van het Ba’ath-regime (zeg tot in de jaren tachtig) als „staatsfeminisme”. Er werd nadruk gelegd op onderwijs voor vrouwen en het islamitisch familierecht had een tamelijk moderne gedaante. Mannen konden niet zomaar een tweede vrouw trouwen. Maar zulke restricties zijn na de val van Saddam meteen afgeschaft. Vrouwen werden in veel delen van Irak geterroriseerd om ze te dwingen een hoofddoek te dragen. „En een woord als ‘gender’ staat nu gelijk aan homoseks en overspel.” Net zoals vrouwenactivisten nu in Libië voerden vrouwen in Irak na Saddams val campagne voor een quotum voor vrouwen in het parlement, en ze kregen het na lang lobbyen: niet de geëiste 40 procent maar 25. Maar een vrouwenquotum is geen tovermiddel. „Want wie vormen die 25 procent?”, zei Nadje Ali. „Het zijn geen activisten, maar vrouwen van politici, zusters, dochters die geen enkele binding hebben met vrouwenrechten. En er zit geen enkele vrouw in belangrijke parlementscommissies.”