Documentaires als goed verstopte kwaliteits-tv

Kerstmis in Belfast: achter de gulle lach van de kerstman gaat een zwaar trauma schuil. IRA-veteraan Robert McClenaghan plaatste twee jaar bommen en zat twaalf jaar in de gevangenis.

De documentaire When the war ends van Thijs Schreuder won dit jaar de belangrijkste aanmoedigingsprijs van het Nederlands Filmfestival, die van de stad Utrecht. Terecht, want het is vooral visueel een interessante poging om overbekende demonen in een schimmig kader te vangen. Maar als we zo’n veelbelovende jonge filmer willen belonen, waarom zendt de VPRO zijn film dan praktisch zonder voorpubliciteit om half een ’s nachts uit?

Festivals daargelaten is de televisie niet alleen de belangrijkste financier maar ook de eerste vertoner van documentaires geworden. Er zijn er veel te zien, soms van hoge kwaliteit, maar wie weet ze nog te vinden? Hoe veel mensen zullen zich realiseren dat de nieuwe documentaireserie van Heddy Honigmann, West Side Stories (HUMAN), deze maand op zaterdagmiddagen te zien is? Voor de verandering filmde de reislustige Honigmann in haar eigen woonomgeving, Nieuw-West in Amsterdam. Het portret van kassameisjes bij Albert Heijn, met hoofddoek en academische vooruitzichten, was film van hoog niveau.

Nog moeilijker te vinden was deze week de wereldpremière van het nieuwe werk van Agnès Varda, in veel opzichten verwant aan Honigmann. Ik had ook pas heel laat in de gaten dat achter de woordspelige Duitse titel Agnes war da op ARTE een vijfluik verstopt was, dat eigenlijk Agnès de ci de là Varda heet.

Het zijn associatieve aantekeningen, vooral over kunst en kunstenaars. Varda (83) hopt met haar films en installaties van festival naar museum en neemt overal een camera mee naar toe.

Gisteren zagen we haar in Sète, de Zuid-Franse kustplaats waar ze opgroeide, tussen de vissers die in 1954 in haar debuutfilm optraden. Ze zijn boos dat ze hun namen niet meer kent.

Maar in Brazilië kent Agnès ook een hoop mensen en in Stockholm raakt ze geïntrigeerd door de kale journaliste die haar interviewt en die een club oprichtte van vrouwen die geen pruik willen dragen.

Toevallig is daar ook net de veiling van alle eigendommen van Ingmar Bergman, naar instructies uit zijn testament.

Het van de hak op de tak springen is een soort stijlkenmerk geworden van Varda, sinds haar springerige film over jutters, Les glaneurs et la glaneuse (2000). Maar ze snapt meer van kunst en van mensen dan alle Nederlandse redacteuren van kunstprogramma's bij elkaar.

En dat oude vrienden en collega’s op de schouder slaan, daar wen je aan. Buiten Nederland vindt niemand dat een probleem.

    • Hans Beerekamp