De kleinste reus op aarde

Norton Juster: The Annotated Phantom Tollbooth. Alfred A. Knopf, 284 blz. € 30.-

Je kunt de essentie van de Amerikaanse kinderboekklassieker The Phantom Tollbooth niet beter verbeelden dan de Amerikaanse illustrator Jules Feiffer dat in 1961 deed: hij tekende een iel mannetje dat verbaasd kijkt naar de wonderlijke watchdog Tock. Geen waakhond, maar een horlogehond.

Die truc, het letterlijk nemen van taal, haalt auteur Norton Juster vaker uit in The Phantom Tollbooth, het kinderboek waarin je de avonturen van de kleine Milo op de voet volgt. Hij stapt op een dag in zijn trapauto en rijdt op het tolpoortje af dat hij van een onbekend iemand heeft gekregen. Pardoes komt hij terecht in een andere wereld. Daar neemt Milo de taak op zich een verscheurde fantasiewereld van de ondergang te redden, daarin bijgestaan door Tock. Feiffers illustratie van hun ontmoeting is zo treffend dat ze als cover is gebruikt.

The Phantom Tollbooth werd in 1961 geschreven door de in 1929 in Brooklyn geboren architect Norton Juster, en rijkelijk geïllustreerd doorzijn goede vriend en onderbuurman Jules Feiffer. Het boek bestaat dit jaar vijftig jaar. Ter gelegenheid van dat jubileum is een prachtige jubileumuitgave verschenen. The Annotated Phantom Tollbooth is een koffietafelboek waarbij het 265 pagina’s tellende kinderboek is voorzien van voetnoten en een biografische proloog van de Amerikaanse kinderboekhistoricus Leonard S. Marcus.

In zijn kinderboek speelt Norton een onvergetelijk spelletje met ons dagelijkse taalgebruik. In een van de meest aangehaalde scènes uit het boek bereikt Milo het Island of Conclusions, een eiland dat hij alleen kan bereiken door te springen. Jumping to conclusions dus. Ook met ons besef van relativiteit en proporties gaat Norton aan de haal. De jongen met een normaal voorkomen die Milo op zijn reis tegenkomt is naar eigen zeggen zowel de kleinste reus, de grootste dwerg, de dunste dikzak als de dikste dunnerd op aarde. ‘It’s All in How You Look at Things’, heet een van de hoofdstukken uit dit boek.

Door dit soort spitsvondigheden werd Nortons kinderboek onmiddellijk omarmd als klassieker. Drie miljoen exemplaren werden er sinds 1961 van verkocht. En één daarvan rust nu op een nachtkastje in het Witte Huis. Eind oktober 2011 kocht de Amerikaanse president Barack Obama de jubileumeditie voor zijn dochters.

Dankzij die jubileumuitgave, en met name de biografische inleiding in dat werk, bestaat er nu meer duidelijkheid over Nortons inspiratiebronnen. Naast de overduidelijke knipogen naar Alice in Wonderland, The Wizard of Oz en Gulliver’s Travels blijkt Nortons eigenzinnige zienswijze ook een uitvloeisel te zijn van diens neurologische aandoening: synesthesie. Die zeldzame aandoening brengt een vermenging van de zintuiglijke waarnemingen tot stand, zoals geuren verbonden met tonen. Norton moest als kind noodgedwongen kleuren aan cijfers koppelen om te kunnen rekenen.

In 1961 gaf de 31-jarige Norton in een beursaanvraag aan dit als zijn grote ambitie te zien: ‘de waarneming van kinderen te verscherpen en te vergroten, zodat ze de visuele wereld om hen heen leren waarderen en om ze te enthousiasmeren voor de omgeving die zij uiteindelijk zullen vormgeven.’

Die ambitie mondde uit in het boek dat nu door Leonard Marcus van voetnoten is voorzien. Die voetnoten zijn een echte aanvulling, maar toveren dit kinderboek nadrukkelijk om tot een grote-mensenboek. Marcus legt veelvuldig uit wat Juster en Feiffer ertoe aanzette om voor juist die formulering of die compositie te kiezen. Ook de context die Marcus biedt is interessant. Zo blijkt Justers gebruik van ‘moeilijke woorden’ in een kinderboek al in de jaren zestig door invloedrijk pedagogen ter discussie gesteld te worden. Net als het in huidige AVI-systeem, dienden begrippen en zinsconstructies in kinderboeken op het vocabulaire van kinderen aan te sluiten. Het bekendste kinderboek dat in die tijd aan die maatstaven voldeed was The Cat in the Hat van de Amerikaanse kinderboekenschrijver Dr. Seuss. Het werd geschreven vanuit een ‘gecontroleerd vocabulaire’, een lijst van 236 woorden die voor kinderen van een specifieke leeftijd geschikt geacht werden.

Een andere tijdgenoot van Norton, de Amerikaanse kinderboekenschrijver en illustrator Maurice Sendak, had minder moeilijke woorden nodig om in 1963 van een prachtig gegeven uit Nortons kinderboek gebruik te maken. In diens prentenboek Where the Wild Things Are komt het jongetje Max, net als Milo, via zijn kamer in een fantasiewereld terecht. En net als Milo constateert ook Max – na wat voelde als een wekenlang verblijf – bij terugkomst op zijn kamer dat de tijd stil is blijven staan. Sendaks prentenboek werd in 1968 vertaald als Max en de Maximonsters. Het is tot op de huidige dag in Nederlandse boekhandels en huishoudens te vinden. En Nortons klassieker? Die is na de verschijning van een prima Nederlandse vertaling in 1983 door een tolpoortje gereden en nooit meer teruggekomen.