Boompje groot, plantertje dood

‘Het is treurig dat een mens zich zo weinig kan veroorloven als hij gezond wil blijven.’ Een moderne wijsheid, die de erudiete Herman Boerhaave begin 18de eeuw al ventileerde.

Portret van Herman Boerhaave (1688-1738) door Aernout van Gelder FOTO: Mauritshuis

Luuc Kooijmans: Het orakel. De man die de geneeskunde opnieuw uitvond: Herman Boerhaave (1668-1738). Balans, 392 blz. €24,95.

Hij was de beroemdste arts van Europa. Toen hij stierf hadden bijna alle Europese vorsten een lijfarts die bij Boerhaave had gestudeerd. En zijn oud-studenten en -promovendi waren hoogleraar geneeskunde aan de belangrijkste universiteiten.

Anders dan Herman Boerhaave. Die was zelf nooit hoogleraar geneeskunde. Hij werd in 1701 slechts lector in de geneeskunde aan de Leidse universiteit. Hij gaf colleges en verwierf daarmee grote faam, in binnen- en buitenland. Het universiteitsbestuur beloofde hem, toen hij hoogleraarsposities in andere steden kreeg aangeboden, dat de eerste hoogleraarsstoel die in de medische faculteit vrij viel voor hem was.

Theorie en praktijk van de geneeskunde, anatomie, scheikunde en plantkunde. Dat waren de vakgebieden van de vijf hoogleraren in de medische faculteit. Plantkunde, daar had Boerhaave het minst verstand van, maar hij liet weten één van de vijf leerstoelen wel te willen. Bovendien werd zijn salaris met 50 procent verhoogd. Hij bleef in Leiden.

‘In de zomer van 1708 werd Pieter Hotton ziek en zijn toestand bleef vervolgens zorgelijk.’ Zo begint historicus Luuc Kooijmans hoofdstuk 4 van zijn Boerhaave-biografie, lijvig als Boerhaave zelf. Die Pieter Hotton die ziek werd was uitgerekend de hoogleraar plantkunde. Kooijmans schrijft goed gehumeurd, vriendelijk en feitelijk. Zo stond de Leidse beroemdheid zelf ook bekend. Over Boerhaaves persoonlijkheid citeert Kooijmans uit lovende brieven die zijn buitenlandse studenten naar huis stuurden.

In de eerdere hoofdstukken beschrijft Kooijmans het (orthodox gelovige) nest waar Boerhaave uit kwam. Boerhaave was 5 toen zijn moeder overleed en 14 toen zijn vader (dominee) stierf. Hij groeide op als oudste zoon in het gezin van zijn stiefmoeder. Ze hadden het niet breed, maar Boerhaave was een briljante leerling en kreeg een beurs om te gaan studeren. Dat moest dan wel theologie zijn, bepaalden de geldschieters uit zijn strenge milieu.

Theologie, daar had de Boerhaave die zich tot kritisch denker ontwikkelde al snel geen zin meer in. Hij week uit naar filosofie en gebruikte het gerucht dat hij Spinoza-aanhanger was om voorgoed aan zijn toekomst als dominee in orthodoxe kring te ontkomen. Door die afkomst en gebeurtenissen was hij in Leiden niet direct professorabel.

Plantkundigen

Boerhaave had zoveel succes als lector geneeskunde dat hij de zittende hoogleraren in de geneeskundevakken en de scheikunde overvleugelde. Plantkundeprof Pieter Hotton werd niet meer beter en stierf in de koude winter van 1708. Er waren goede buitenlandse kandidaten voor de post. Het waren betere plantkundigen dan Boerhaave, maar Boerhaave liet het universiteitsbestuur weten dat hij de positie toch ambieerde. Hij hield het bestuur aan de afspraak dat de eerste vrijkomende leerstoel voor hem was. Boerhaave kreeg de aanstelling en daarmee de zorg over de Leidse Hortus. Hij verhuisde in 1709 naar het hoogleraarshuis dat aan de wetenschappelijke tuin grensde. In recordtempo leerde hij de planten kennen en legde hij contacten met buitenlandse collega’s en plantenkenners om zaden en planten uit te wisselen. Moderne plantkundige theorieën omarmde hij net zoals hij dat bij nieuwe inzichten in de geneeskunde deed. Hij verzon zelf weinig nieuwe theorieën, maar las alles, oud én nieuw, toetste, verwierp wat volgens hem onzin was en behield wat zin leek te hebben. In de geneeskunde keek hij naar de verschijnselen, naar de medicatie en het effect, maar hij verloor zich niet in speculaties over wat er in het lichaam gebeurde.

De indeling van het plantenrijk en van de tuin was in die tijd een serieus wetenschappelijk probleem. Pas in Boerhaaves laatste levensjaren dook de jonge Zweedse botanicus Linnaeus in Leiden op, aangetrokken door Boerhaaves faam. Linnaeus bracht systeem in de wanorde. Later, in 1724, kocht Boerhaave de buitenplaats Oud-Poelgeest in Oegstgeest. Daar had hij eindelijk de zo gewenste ruimte om een grotere tuin in te richten en een bomencollectie aan te leggen. Hij was toen al 56 en wist dat hij zelf niet meer in de schaduw van zijn zelf geplante bomen zou zitten, volgens het principe ‘boompje groot, plantertje dood’.

Hij voelde zich zwak. Twee jaar eerder was hij ruim een half jaar ziek geweest. Bijna verlamd, met heftige pijn, lag hij lang op bed. Wie het leest denkt: een hernia. Maar biograaf Kooijmans laat het bij de beschrijvingen die Boerhaave zelf en zijn omgeving geven. De grote arts wist zelf ook niet wat eraan mankeerde. Herniaoperaties bestonden niet.

Melkdieet

Boerhaave kreeg het veel te druk en wist dat dat zijn gezondheid ondermijnde. Hij adviseerde zijn patiënten rust, wandelen, paardrijden, goede wijn en soms een melkdieet. Maar zelf had hij er de tijd niet voor. ‘Het is treurig dat een mens zich zo weinig kan veroorloven als hij gezond wil blijven’, citeert Kooijmans hem. Dat ging over eten, drank en werken – en is een moderne wijsheid.

In 1718 was hij naast hoogleraar plantkunde ook de Leidse hoogleraar scheikunde geworden. De scheikunde-colleges gaf hij weliswaar al, en de zittende hoogleraar scheikunde Jacob le Mort was voor zijn dood eigenlijk al vergeten. Groot voordeel van de benoeming was dat Boerhaave het scheikundelaboratorium onder zijn hoede kreeg. De laatste twintig jaar van zijn leven voerde hij er langdurige experimenten uit, om na te gaan of er een grond van waarheid zat in de bewering van de alchemisten dat metalen kunnen worden omgezet van minder edel naar edel. Boerhaave sloot niet uit, schrijft Kooijmans, dat er een grond van waarheid zat in die oude transmutatietheorie. Alleen, het bewijs was nooit geleverd.

Boerhaave had alle oude alchemie-literatuur gelezen. Zoals hij ook alle oude medische literatuur uit de Griekse tijd en de renaissance op zijn duimpje kende. Hij vond zijn leven lang: verwerp wat niet bewezen is, ga door met wat vast staat. Om de transmutatietheorie te testen verhitte hij jarenlang potten met metaal. Als geneesheer werd hij waarschijnlijk steeds praktischer. Theorieën die in zijn jeugd populair waren, verliet hij weer.

Kooijmans beschrijft veel van Boerhaaves leven en werk. In een mooie afwisseling en goed gedoseerd. Vreemd is alleen dat het medische werk van Europa’s beroemdste arts er wat bekaaid vanaf komt. De behandelmethoden worden steeds terloops meegedeeld. Aan een van zijn leerlingen adviseerde hij: ‘neem geen patiënten in behandeling waarbij herstel onwaarschijnlijk is.’ Dat heeft waarschijnlijk veel aan zijn roem bijgedragen.

    • Wim Köhler