ADHD'er kanvaak zonder psychiater

Het is logisch dat de minister de psychiatrie een halt toe roept.

Dat hoogleraren psychiatrie dat zelf niet snappen, zegt iets over hun vernauwde blik.

Wanneer een artikel begint met autoriteitsargumentatie („wat ik zeg is waar want ik bekleed een hoge functie”) dan kun je er vaak donder op zeggen dat de overtuigingskracht van de inhoudelijke argumenten mager is.

Zo ook in het artikel ‘Wij strooien niet met ADHD’ (Opinie, 15 december). Dat begint met de woorden: „Als hoogleraren kinder- en jeugdpsychiatrie maken we ons ernstig zorgen over …”. Wat volgt is een rammelend betoog tegen de beleidsplannen van het kabinet om de zorg voor jeugd over te dragen aan de gemeenten.

In de tweede zin schrijven de hoogleraren over „diegenen die door deze stoornissen (ADHD en PDD-NOS) daadwerkelijk belemmerd worden in hun functioneren”. Die functioneringsproblemen zijn echter niet het gevolg van de stoornis, maar het belangrijkste onderdeel er van. Als iemand namelijk goed functioneert, dan mag een diagnose niet gesteld worden.

Om te betogen dat het zin heeft om 7 procent van onze kinderen in de psychiatrie te behandelen verwijzen de hoogleraren naar het RIVM-rapport Zorg voor gezondheid (2006). Daarin wordt inderdaad verwezen naar Australisch onderzoek onder volwassenen waaruit bleek dat behandeling de ziektelast van depressie, angst, alcoholmisbruik of schizofrenie met een bescheiden 13 procent verminderde. De vraag is wat dit zegt over kinderen met ADHD of PDD-NOS.

De meeste kinderen met een diagnose hebben geen ernstige problemen. Recente cijfers van het Amerikaanse Center for Disease Control (CDC) laten bijvoorbeeld zien dat bijna de helft van de kinderen met een diagnose ADHD milde problemen heeft. Milde ADHD is goed te behandelen door gedragswetenschappers in de eerste lijn.

De hoogleraren beweren het streven van de overheid om zo min mogelijk kinderen in de dure tweede lijn te behandelen te ondersteunen. Dit geldt blijkbaar niet voor diagnostiek, gezien de oprichting van de tweedelijns ‘Tornadopoli’ (geen grap, zo heet die poli) door twee van de zes hoogleraren. Op deze poli kan de diagnose ongecompliceerde ADHD in slechts twee uur gesteld worden.

De zes hoogleraren betichten het kabinet (en ieder die vindt dat de psychiatrie haar doelgroepen te ver heeft uitgebreid) ervan dat ze problemen niet serieus nemen, ouders de schuld geven en patiënten losers vinden. Maar dat er problemen zijn is niet het punt, de vraag is wel of het in alle gevallen om een medisch probleem gaat. Ouders krijgen allerminst de schuld, de vraag is alleen of zij en hun kinderen het beste geholpen zijn met een medische behandeling.

De psychiatrie is een medische wetenschap. Ze probeert hard mee te doen met de rest van de geneeskunde. En daar gaat het mis. Want terwijl de rest van de geneeskunde zich kan beroepen op objectieve tests, bloeduitslagen, röntgenfoto’s etcetera, moet de psychiatrie het doen met subjectieve beoordelingen van observeerbaar of rapporteerbaar gedrag. De psychiater maakt voor zijn diagnostiek zijn eigen interpretaties van het subjectieve verhaal van ouders en leerkrachten. Vanwege het gebrek aan objectieve tests zijn psychiatrische diagnoses kwetsbaar voor oprekking. Dit gebeurt vooral op de onduidelijke grens tussen ‘normaal’ en ‘psychiatrisch gestoord’; de laatste decennia zijn er steeds meer kinderen met steeds lichtere problematiek van een psychiatrische diagnose voorzien. Los van de zorg dat een behandeling in de psychiatrie deze groep kinderen mogelijk meer schaadt dan goed doet, zijn de oplopende kosten voor de samenleving ook niet meer te betalen.

We kunnen het jammer vinden dat er een financiële prikkel voor nodig was, maar we kunnen het de minister niet verwijten dat ze de psychiatrie een halt toe roept. Dat de hoogleraren psychiatrie niet begrijpen dat ze dit ingrijpen over zichzelf hebben afgeroepen doet vermoeden dat er bij deze specialisten sprake is van CSDD (Common Sense Deficit Disorder), een ernstige aandoening die de blik vernauwt en het functioneren van het gezonde verstand aantast.

Dr. Laura Batstra is onderzoeker en docent bij de afdeling Orthopedagogiek van de Rijksuniversiteit Groningen.

    • Laura Batstra