Wreed bouwwerk van tule

Vederlicht lijkt hij, parmantig opwippend bij elke pas van de danseres. Hij oogt rechttoe rechtaan, maar schijn bedriegt: de tutu is niet zomaar een rokje.

Het is tutuseizoen. December is traditioneel de maand waarin overal ter wereld de kostuums voor de grote, klassieke werken uit de opslag worden gehaald. De Notenkraker natuurlijk, het kerstballet bij uitstek, maar ook Het Zwanenmeer, The Sleeping Beauty, Giselle. Balletten die, althans in klassieke ensceneringen, ondenkbaar zouden zijn zonder de emblematische dracht van de ballerina.

Ook bij Het Nationale Ballet, dat Notenkraker en Muizenkoning herneemt, is het topdrukte op het kostuumatelier, want de tutu is een subtiel bouwwerk dat bij elke voorstelling en elke draagster verzorging, reparaties en aanpassingen behoeft. Het is een gelaagde structuur waarin zeker tien meter tule van anderhalve meter breedte is verwerkt, een staaltje van hogere coupeurstechnieken. Een nieuwe tutu is het resultaat van zeker drie weken intensief handwerk.

„Een van onze Nederlandse tutumaaksters, een vrouw uit Alphen aan den Rijn die werkelijk prachtig werk levert, zei het laatst nog: eigenlijk is het mannenwerk. Want het vereist brute spierkracht om zo’n berg tule te temmen.” Oliver Haller, hoofd van de kostuumafdeling van Het Nationale Ballet, steekt ter illustratie zijn armen ver boven het hoofd. „En inderdaad; Trevor Morson, onze Engelse tutumakers, heeft zúlke armen.”

Haller draagt de verantwoordelijkheid voor de ongeveer zeshonderd tutu’s van het gezelschap. Een klein deel daarvan is in gebruik in Het Muziektheater, de rest is opgeslagen in een grote loods bij station Amsterdam Sloterdijk. Meters en meters tutu’s hangen er, omgerekend enige kilometers tule. Ondersteboven, want zo blijven ze het best in vorm.

Vrouwonvriendelijk

Vorm en vormvastheid behoren tot de grootste zorgen voor tutumakers. Om de rok zijn kenmerkende stijve, uitstaande karakter te geven, is een tutu opgebouwd uit negen tot twaalf lagen bobinet, een hexagonaal geweven tulesoort. Deze worden aangebracht op het broekje dat aan het heupstuk is bevestigd. De bovenste, ruim zes meter lang en 38 centimeter breed, wordt tot de heupomvang (circa 90 centimeter) van de danseres ingerimpeld. Op lijnen die de lichaamswelvingen volgen, worden de andere lagen genaaid, telkens iets korter en smaller, tot de laatste laag van ongeveer twee meter lang en vier centimeter breed. Al met al een zwaar belast onderbroekje: „Erg vrouwonvriendelijk”, vindt Haller. „Het broekstuk moet enorme spanning kunnen weerstaan, want als de danseres zich maximaal uitstrekt, mag die tutu natuurlijk niet mee. Maar ja, wie mooi wil zijn...”

Veel tutu’s van Het Nationale Ballet zijn gemaakt in de zogeheten Engelse stijl. Haller besteedt veel werk uit aan Morson en diens partner Ted Scott, twee excentrieke Britse heren die op hun boerderij niets anders doen dan tutu’s naaien. Haller: „Bij de Engelse tutu loopt de rok geleidelijker over in het been. Persoonlijk vind ik dat mooier, maar het is zwaarder voor de danseres. De meesten prefereren dan ook de Russische stijl, waarin het makkelijker bewegen is omdat die meer bil vrij laat.” Waarmee de Russische tutu volledig recht doet aan de term tutu, die, zo melden de bronnen, een verbastering is van cucu, Franse kindertaal voor bips.

Om de lagen in vorm te brengen worden zij doorgenaaid, zodat de tutu voller of platter oogt. Alle lagen krijgen een met de hand ingeknipte kartelrand: „Dan lopen ze optisch mooi in elkaar over.”

Een hoepel tussen de vijfde en zesde laag zorgt voor het uitstaande effect. Het lijfje wordt meestal los van de rok gemaakt en krijgt zijn perfecte pasvorm en stevigheid door rondom circa twaalf coupenaden en een aantal baleinen. Met de hand worden alle glitters, stenen, linten, strikken, kantjes en bandjes opgenaaid. Stevig, want een tutu, zeker die van een soliste, heeft heel wat te doorstaan. Niet alleen tijdens de voorstelling, maar ook daarna.

Tussen de optredens worden de lijfjes ‘schoongespoten’ met wodka, dat de bacteriën doodt en penetrante zweetlucht maskeert. Met enige goede wil is het weer droog als de volgende ballerina erin stapt. Van de tulen rok wordt alleen het broekdeeltje zo goed en zo kwaad als het gaat gereinigd. Helemaal uitspoelen zou de stijfheid aantasten.

Als bewijs voor de kwaliteit van het atelier van Het Nationale Ballet snort Haller een tot op de draad versleten lijfje van een tutu uit Theme and Variations op. „In 1981 gemaakt, in 2003 begon het te scheuren en in 2005 is het vervangen. Dan valt tweeduizend euro wel mee, vind ik.”

Geschramde gezichten

Een vast tuturecept bestaat overigens niet. Elke keer weer moet een tutumaker inschatten hoe de tule zich zal gedragen – van de ene kwaliteit is soms een halve meter minder nodig dan van de andere. Tegenwoordig is de tule stijver en harder dan ooit dankzij moderne kunstharsen. Mannelijke dansers, die hun partners moeten tillen of op de schouders nemen, komen regelmatig met geschramde gezichten van het toneel. Vroeger, weet Haller, werden tutu’s (vaak van mousseline, tarlatan of organza) stijf gemaakt met formaldehyde: „Niet zo gezond.” Of hierdoor ooit gezondheidsproblemen zijn ontstaan, is niet bekend. Wel kennen alle balletgekken het droeve lot van de jonge Emma Livry, die in 1862 te dicht langs de gasverlichting danste. Haar tutu vatte vlam, acht maanden later stierf ze aan haar verwondingen.

Livry was een protegee van de fameuze Marie Taglioni. Taglioni was niet alleen de eerste danseres die zich op de (toen nog onverharde) teenpunten van haar balletschoentjes verhief, maar ook degene die de tutu introduceerde. In het ballet La Sylphide (1832) van vader Filippo Taglioni zag het publiek in Parijs voor het eerst de spreekwoordelijke ‘wolk van tule’ die later in vele balletten zou terugkeren en bijdragen aan de illusie van gewichtloosheid, zo essentieel voor de klassieke dans. Het ontwerp van Eugène Lami was een welkome innovatie, want in de negentiende eeuw nam de ballettechniek een vlucht, met grote zweefsprongen, lifts en virtuoos spitzenwerk. De lichte tule, genoemd naar het Franse stadje Tulle, maakte die ontwikkeling mede mogelijk.

De eerste tutu’s waren lang en zacht, maar naarmate de tijd en de techniek vorderden, werden de tutu’s korter en harder. Rond 1870 besloot een aantal Italiaanse ballerina’s de tutu tot boven de knie in te korten om de toeschouwers het volle zicht op hun geroemde spitzentechniek te gunnen. Langzaam ontwikkelde zich het klassieke silhouet van de ballerina.

Lange tijd is dat niet wezenlijk veranderd. Of een danseres nu een Spaanse herbergiersdochter speelde, een (gestorven) Indiase tempeldanseres, een fee of een zwaan; de tutu was haar uniform. Kleuren en decoraties dienden als indicatie omtrent karakter en geografische herkomst van het personage.

In de jaren twintig van de vorige eeuw experimenteerden verschillende ontwerpers van Sergei Diaghilevs Ballets Russes met nieuwe vormen. Opmerkelijk was bijvoorbeeld de tutu die de Russische constructivisten Naum Gabo en Antoine Pevsner ontwierpen voor Balanchines’ La Chatte: een transparant, plastic-achtig stijf rokje. In de ontwerpen van Bauhaus-voorman Oskar Schlemmer voor Das Triadisches Ballett wordt de tutu tot beeldende kunst – niet eens een heel grote stap. De onbetwiste koningin onder de tutu-ontwerpers is Barbara Karinska. Als vaste ontwerpster van de balletten van George Balanchine benutte deze Russische emigrante, dochter van een textielhandelaar, werkelijk alle mogelijkheden van de tutu, van superromantisch lang tot ultrakort en kittig, simpel of juist rijk gedecoreerd.

Nepsmaragden

In Hallers kantoor hangt toevallig een van Karinska’s ontwerpen: de lange, groene tutu uit Emeralds, het lijfje behangen met glitters en ‘edelstenen’. „De Balanchine Trust controleert elk naadje, pailletje en patroontje; alles moet precies zo worden gemaakt als Karinska het heeft bedacht.” Helemaal identiek aan het ontwerp uit 1967 is het exemplaar van Het Nationale Ballet niet. Oorspronkelijk waren alle nepsmaragden op het kostuum van glas. „Stel je dat gewicht voor! Nu zijn ze van kunststof en hol, een enorm verschil.”

Haller en de zijnen zijn voortdurend op zoek naar manieren om de kostuums lichter en comfortabeler te maken. Met enige trots vertelt hij dat de prinsenjas voor de Notenkraker voor het eerst met de lichtgewicht, ademende stof is gemaakt die veel wordt toegepast in sportkleding. Een elastisch materiaal dat werd ontwikkeld voor orthopedische braces, ‘powernet’, levert als onderdeel van het tutuheupstuk meer draagcomfort. Voor de kostuums van Don Quichot werden de heupstukken zelfs helemaal van powernet gemaakt. Maar, zegt Haller enigszins besmuikt, „dat was een beetje overmoedig. Tijdens snelle pirouettes bleef de tutu niet op zijn plaats zitten, maar draaide door de elasticiteit van de stof om de danseres heen.”

Of het gewicht van de meters tule kan worden teruggedrongen, is de vraag, want een lichtere kwaliteit is kwetsbaarder en dus kostbaarder. Wel verwacht Haller veel van de ozonkast die Het Muziektheater heeft aangeschaft. Daarmee kunnen de tutu’s in eigen huis worden gereinigd, goedkoper dan bij de stomerij: „Ozon doodt de bacteriën die de oorzaak zijn van schade en stank. Voortaan krijgen onze tutu’s dezelfde behandeling als de aardbeien in de supermarkt.”

En zo gaat zelfs het traditioneelste aller balletkostuums met zijn tijd mee.

    • Francine van der Wiel