Van Golden is een heilige

Precisie is alles bij kunstenaar Daan van Golden, die zich heeft toegelegd op het naschilderen van details. Inspiratie deed er niet meer toe.

Kunstenaar Daan van Golden, van wie nu in De Hallen in Haarlem een klein overzicht is te zien, heeft een curieus probleem: hij is heilig verklaard in Nederland. En dat is nog begrijpelijk ook. Van Golden (75), zojuist bekroond met de oeuvreprijs van het Fonds BKVB, is het ideale voorbeeld van de ‘volstrekt-authentieke-kunstenaar’. Altijd zijn eigen weg gegaan, zich nooit iets aangetrokken van modes of de markt en alleen maar schilderijen of foto’s vervaardigend als hij werkelijk een verschil kon maken. Zijn productie is opvallend klein.

De wortels van die houding zijn terug te voeren tot het begin van de jaren zestig, toen Van Golden, wonend in Japan, zijn kunstenaarschap radicaal veranderde. Tot dat moment schilderde hij vooral wilde, zwart-witte, abstract-expressionistische doeken. Nu ging hij het tegenovergestelde doen: niks expressie meer, weg met het toeval, voortaan werd Van Goldens werk het resultaat van zorgvuldige planning.

Hij nam bijvoorbeeld een stuk pakpapier (van het Japanse warenhuis Mitsukoshi) of een zakdoek (van de Hema) en begon die, in uitvergrote vorm, zo minutieus mogelijk na te schilderen. Inspiratie deed er niet meer toe, oprispingen van creativiteit waren niet meer nodig; planning, zorgvuldigheid en concentratie, daar ging het om – Van Golden wist precies wat de uitkomst van zijn arbeid moest zijn. Daarbij kwam het er, als bij een middeleeuwse monnik die een handschrift kopieert, alleen nog maar op aan zijn werk zo precies mogelijk te doen. Precisie werd zijn alles.

Vervolgens zette hij in een carrière die nu ruim vijftig jaar omspant nog één cruciale stap. In de loop van de jaren zeventig stopte Van Golden met het naschilderen van kant-en-klare ‘objecten’. Vanaf dat moment schilderde hij alleen nog maar betekenisvolle details die hij vond in de werkelijkheid of, liever nog, bij andere kunstenaars. Van Goldens beroemdste series bestaan bijvoorbeeld uit beelden die hij aantrof in een klassiek dripping-schilderij van Jackson Pollock. Maar waar Pollock dacht abstract te werken en vooral streefde naar energie en zindering, vindt Van Golden tussen zijn spetters ineens een rechtopstaande vos met een erectie die wordt aangekeken door een Russische majoor. Zo zit God nadrukkelijk in het detail; niet alleen bestaat Van Goldens oeuvre bijna helemaal uit details uit de werkelijkheid, hij schildert ze ook zo precies na dat de verschillende vormen van perfectie elkaar opstuwen tot grote hoogten.

Van Golden gelooft dat perfectie in diepste wezen een ethische daad is – en dus dat de ware technische en inhoudelijke volmaaktheid alleen maar kunnen worden bereikt door een, zeg maar gerust, ‘perfecte’ geest. Een goede geest. Een goed mens. Dat is het roerendste als je naar zijn werk kijkt: het voortdurende besef dat zijn doeken inderdaad zo perfect zijn dat ze je niet alleen optillen uit de zeurende cadans van het dagelijkse leven, maar vooral dat ze voortkomen uit de geest van een man die oprecht heeft geprobeerd het goede te doen – en je gelooft het meteen. Kijk maar naar het Haarlemse zaaltje waarin drie zogenaamde Heerenlux-schilderijen bij elkaar hangen: dit geheel is zo onaards mooi dat je er bijna ongemakkelijk van wordt. Perfectie. Heiligdom.

Verwante kunstenaars

Het rare is dat die heiligheid zich langzaam, heel voorzichtig tegen Van Golden begint te keren. Niet dat het kunstminnend publiek genoeg van hem heeft, het probleem is dat je je tot Van Goldens perfectie, net als tot heiligen, moeilijk kunt verhouden. De laatste jaren worden er zelden nieuwe inzichten over zijn oeuvre ontwikkeld en worden er al nooit zinnige prikkelende, kritische noten over zijn werk gekraakt. Om eerlijk te zijn: ik heb het voor dit stuk geprobeerd, maar kreeg het niet voor elkaar – te mooi. Sorry. Dat is waarschijnlijk ook precies de reden waarom ze het in De Hallen dit keer maar eens anders hebben aangepakt. Van Golden exposeert niet solo, maar wordt geflankeerd door twee jonge kunstenaars die verwantschap met hem vertonen – een opmerkelijk eerbetoon.

Boven Van Golden hangt het werk van de jonge Haarlemmer Annesas Appel (1978), die met Van Golden vooral een voorliefde gemeen lijkt te hebben voor patronen en een neiging tot systematiek. Appel ordent onder andere de boekomslagen uit haar eigen kast op kleur en ontwikkelt nieuwe ruitpatronen door woorden die voor kleuren staan bepaalde codes toe te kennen en aan de hand van die codes nieuwe patronen te ontwerpen – of zoiets. Want dat is het probleem met Appels werk: hoe perfect het ook is uitgevoerd (grafisch is Appel heel sterk) de systemen die de basis van de afzonderlijke werken vormen, zijn te ondoorzichtig en voelen te willekeurig om de belangstelling van de toeschouwer vast te houden. Zodat je vooral hoopt dat Appel er in de toekomst in slaagt bij haar geconcentreerde vorm wat meer concrete inhoud te verzinnen.

Patronen en herhalingen

Marijn van Kreij (1978) werkt veel meer in de geest van Van Golden, waarbij hij een fascinatie voor patronen en herhalingen combineert met een krachtig gevoel van onafhankelijkheid, waardoor je bij hem nooit een Van Golden-epigoon-gevoel krijgt. Van Kreijs expositie is op het eerste gezicht zelfs een behoorlijke chaos, met schilderijen die tegen pilaren staan geleund, foto’s, simpele printjes, video’s, noem maar op. Maar al snel duiken daaruit allerlei patronen op. Of beter: Van Kreij blijkt de chaos verrassend goed te beheersen door allerlei voorstellingen, tekeningen, patronen na te tekenen of te kopiëren. Dat begint met een nogal opmerkelijk stripverhaal uit de jaren vijftig waarin kunstenaar Ad Reinhardt (vooral bekend van diepzwarte schilderijen) de betekenis van moderne kunst uitlegt en die door Van Kreij is uitvergroot en nagetekend. Vervolgens duiken er steeds meer lijnen en onderlinge verbanden op, variërend van uitvergrote en perfect nagetekende patronen die je normaal aantreft op de binnenzijden van enveloppen, Van Kreijs fascinatie voor het kopiëren van zwarte vierkanten (van Malevitsj tot Reinhardt en schaakborden) tot een serie waarin hij tot in het oneindige een foto natekent van Nirvana-voorman Kurt Cobain die aan het einde van een optreden languit ruggelings op het drumstel is geëindigd.

Van Kreij is, net als Van Golden, gefascineerd door de authenticiteit van beelden, door wat er gebeurt als je je als kunstenaar een beeld toe-eigent. Krijgt het dan andere waarde? Een andere betekenis? Daarin zit nog een andere overeenkomst met het werk van Van Golden: allebei vragen ze zich af hoe je als kunstenaar in vredesnaam nog iets betekenisvols kunt toevoegen aan deze overvolle wereld. Dat doen ze uiterlijk op totaal verschillende manieren (ik zie Van Kreij niet snel heilig worden verklaard), maar hun intensiteit en oprechtheid zijn hetzelfde. Prachtige combinatie, waar zowel Van Golden als Van Kreij beter van wordt.

Daan van Golden, Marijn van Kreij, Annesas Appel. T/m 4 maart in De Hallen, Grote Markt 16, Haarlem. Di t/m zo 11-17u. Inl. www.dehallen.nl