Universiteitsbladen zijn niet van deze tijd

De universiteits- en hogeschoolbladen worden bedreigd, zegt de Tweede Kamer.

Maar hebben we die bladen überhaupt nodig?

Onafhankelijke journalistiek, in het hoger onderwijs bestaat het officieel nog. Onlangs nam de Tweede Kamer echter een motie aan waarin staatssecretaris Zijlstra werd opgeroepen instellingen erop te wijzen dat „redactionele inmenging ongewenst is” bij universiteits- en hogeschoolbladen.

Volgens Zijlstra is er niks aan de hand, maar er zijn voldoende voorbeelden van dat de universiteitsbestuurders grip op hun clubje onafhankelijke journalisten proberen te krijgen. VOX in Nijmegen bestaat nog als maandelijks blad, maar het universiteitsnieuws is alleen nog op intranet beschikbaar, Utrecht heeft alleen nog een DUB, Digitaal Universiteits Blad. En menig blad valt ondanks de ‘onafhankelijke redactie’ wel onder de afdeling communicatie. In Leeuwarden is er een ‘geconditioneerd onafhankelijk’ blad gekomen en de hogeschool Rotterdam meldt in het redactiestatuut dat het hogeschoolblad ‘het belang van de hogeschool dient’.

Maar neem ze het eens kwalijk: wie betaalt bepaalt. Op mijn middelbare school heb ik als hoofdredacteur van de schoolkrant eens een foto van een gebodypainte vrouw op de achterkant van de schoolkrant gezet. De docent die deze poster in zijn lokaal had hangen (het kunstwerk betrof een shirt van FC Groningen en was zo goed gemaakt dat het mij nog nooit was opgevallen dat het niet een echt T-shirt was) moest deze verwijderen van het schoolbestuur. Een relletje was het gevolg, want dat was niet de pr die men op de keukentafels in Staphorst hoopte te krijgen. Na dit incident werd de schoolkrant onder verscherpt toezicht van docenten geplaatst. Inmiddels is de schoolkrant vervangen door een nieuws/promoblaadje.

Maar waarom hebben we ze in het hoger onderwijs nog wel? Het Hoger Onderwijs Persbureau schrijft, hoe kan het ook anders, dat de bladen belangrijk zijn voor de meningsvorming en vraagt zich zelfs af waarom ze nog niet wettelijk beschermd zijn. Marc Chavannes, ook hoogleraar Journalistiek, filosofeert er graag over mee. Maar waar komt eigenlijk het idee vandaan dat een universiteit of hogeschool een onafhankelijk journalistiek medium zou moeten betalen dat ze waarschijnlijk negatieve publiciteit oplevert? En waarom alleen voor het hoger onderwijs? Hebben ze op mbo’s geen baat bij meningsvorming? En waarom niet bij andere (semi)overheidsinstellingen?

Hoewel er enkele positieve uitzonderingen zijn, worden veel h.o.-bladen gevuld met interviews met wetenschappers die een persbericht hebben geschreven of een prijsje hebben gewonnen. Daarnaast moet ook geconstateerd worden dat de redacties gefaald hebben als het gaat om het signaleren van de diplomafraude die zich toch echt voor hun neus afspeelt.

Redacties staan over het algemeen onvoldoende met hun voeten in de klei: een student mag een column schrijven en er zijn een paar ‘student-reporters’, maar ze zijn geen onderdeel van het hart van de redactie. Hetzelfde geldt voor werknemers, waarvan sowieso een groot deel huiverig is voor het publiceren van kritische stukken in het eigen blaadje.

Een universiteit is gebaat bij studenten (en medewerkers) die de rotte appels zelf, desnoods anoniem, uit de mand durven halen. Blogs en sociale media bieden daar genoeg ruimte voor en hebben reeds aangetoond dat beter te doen dan de interne bladen: zo bundelde Bert Brussen voor GeenStijl de misstanden in een hbo-zwartboek.

Een door de universiteit betaald maar onafhankelijk journalistiek medium is een overblijfsel uit de tijd dat universiteiten nog werden bestuurd door wetenschappers in plaats van managers, toen de publicatiedruk nog beperkt was, je tien jaar over je studie kon doen en tentamenzalen nog werden bekendgemaakt via het universiteitsblad. Niet meer van deze tijd dus. Voorkom de discussie over redactionele onafhankelijkheid en zet die in deze tijd zo schaarse fte’s in waar ze echt nodig zijn: de collegezalen.

Edwin van Sas was voorzitter van de studentenraad van de Vrije Universiteit en werkt daar nu als beleidsadviseur.