Tuigdorp

Heel vroeger had je in Nederland de ondeugende jongens met een hart van goud. Dik Trom die zich onvergetelijk heeft gemaakt door achterstevoren op een ezel te gaan zitten; Pietje Bell, oprichter van de Zwarte Hand; Bulletje en Boonestaak die zich als verstekelingen aan boord van het schip de Hercules waarop de vader van Boonestaak kapitein was, naar New York lieten vervoeren. Nee, geen lieverdjes, maar nooit zouden ze op het idee zijn gekomen een paar bejaarden te beroven, een vijandelijke supporter in elkaar te slaan of het eens op een comazuipen te zetten.

In de jaren zestig verschenen in Amsterdam de Provo’s, die de samenleving radicaal anders wilden organiseren en met hun happenings de openbare orde op het Spui verstoorden. De Telegraaf zag dat de natie in gevaar was en schreef over ‘langharig, werkschuw tuig’. Ik denk dat in die periode het woord tuig zijn wedergeboorte heeft beleefd.

Nog een klein stukje geschiedenis. In de jaren tachtig en negentig hadden we hier ook veel ongehoorzame, lastige, zelfs misdadige jongeren. Ruud Lubbers die toen minister-president was, wilde een radicale maatregel. Deze lastposten moesten worden opgeborgen in bootcamps, kampen met een uiterst streng regiem om ze op een constructieve manier mores te leren. Het is er toen niet van gekomen.

Tussen toen en nu is er veel gebeurd in de wereld. We hebben de Koude Oorlog gewonnen, de Roaring Nineties met de eeuwig groeiende economie braken aan, we kregen toch weer een crisis, daarna stortte het Westen zich in twee rampzalige oorlogen, nu zitten we in de volgende crisis. Aan variatie geen gebrek, maar er is één constante. Het lijkt wel alsof de jeugd steeds ongehoorzamer, lastiger en bozer wordt. Er ontstaat langzamerhand een nieuwe tegenstelling, met als uitersten de hardwerkende Nederlander en het tuig, zoals het door De Telegraaf wordt uitgedrukt. Er is een tijd geweest waarin een Nederlander er met de pet naar gooide of hard werkte. Nu heb je de hardwerkende. Eén woord, voor 100 procent geladen met alles wat deugt. Het absolute tegendeel is het tuig.

Onafhankelijk van dit alles is er nog een nieuwe ontwikkeling. In december komen er steeds meer verkiezingen waarbij democratisch wordt beslist wie of wat de onderscheiding ‘van het jaar’ zal dragen. Welke maatstaven daarbij worden gebruikt is niet duidelijk. De grootste lolbroek, de afzichtelijkste reclame, de duizend mooiste muziekstukken, daar gaat het om. Wat zijn je argumenten? Niet van belang. Stemmen! En zo kunnen we nu al jaren collectief beslissen wat het woord van het jaar zal zijn. Op zichzelf heeft dat zin. Ieder jaar wordt gekenmerkt door nieuwe ontwikkelingen. Het kan zijn dat de bestaande woordenschat niet toereikend is om die te beschrijven. Er moet een woord worden verzonnen dat met fenomenologische scherpte dit verschijnsel beschrijft.

Dit jaar dreigde vuurwerkhooligan de verkiezingen te winnen. Het kan aan mij liggen maar ik vind het een misbaksel, in elkaar geknutseld en bovendien voor de helft Engels. Gelukkig is het tuigdorp geworden. Een woord dat geen misverstand overlaat, niet over wat ermee wordt bedoeld, noch over de maker.

In deze opzichten wedijvert het met kopvoddentaks dat misschien niet fatsoenlijk genoeg werd gevonden. Tuigdorp zegt veel over de toestand van het land.