Sans conséquence ?

‘Er is iets in de Hollandse geest dat voor het diepe, het moeilijke, het tegenstrijdige uit de weg gaat, iets dat tot een zedelijk dilettantisme leidt en dat maakt dat veel van wat wij schrijven tot op zekere hoogte sans conséquence blijft.” Aldus André Jolles in een brief uit 1921 aan Johan Huizinga, de grote historicus, met wie hij in drukke correspondentie stond.

Wie was André Jolles? Een zoon van rijken huize, in Amsterdam wonend, die op de sobere Huizinga uit het verre Groningen indruk maakte toen zij elkaar in hun studententijd ontmoetten. Maar terwijl Huizinga’s roem steeg, kon Jolles in Nederland niet aan de slag komen. Waarschijnlijk werd zijn flamboyante stijl en optreden in academische wereld voor oppervlakkigheid aangezien. Hij zocht zijn heil in Duitsland, waar hij zich in 1933 aansloot bij Hitler, wat leidde tot een breuk met Huizinga. Begin 1946 pleegde hij, brodeloos geworden, zelfmoord in het door Russen bezette Leipzig, waar hij hoogleraar Nederlands was geweest. Een mislukt leven.

Aan die passage uit Jolles’ brief aan Huizinga moest ik denken toen ik onlangs twee boeken las die gesprekken met Helmut Schmidt, bondskanselier van 1974 tot 1982, bevatten: het ene met 79 gesprekken die hij in 2008 ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag had met de hoofdredacteur van het weekblad Die Zeit; het andere met gesprekken tussen hem en de Duits-Amerikaanse historicus Fritz Stern (2010).

De gesprekken met de eerste gaan over van alles en nog wat. Schmidt, die zegt op de universiteit niets geleerd te hebben, blijkt van alle markten – politiek, financieel-economisch, cultureel en filosofisch – thuis te zijn. Hij heeft in de nazitijd op een goede school gezeten, waarvan de leraren grotendeels gewezen sociaal-democraten waren. Zulke scholen waren er blijkbaar toen nog. Prins Claus bezocht er ook zo één.

Lezing van het tweede boek vergt van de lezer meer voorkennis. Schmidt en Stern praten vooral over de Amerikaanse en Duitse politiek en hebben vaak aan een half woord genoeg om elkaar te begrijpen. Ook hier verbaast Schmidts brede kennis, niet alleen opgedaan uit eigen politieke ervaring.

Zou Nederland ook zulke voorbeelden kunnen geven? Of moeten wij, met Frits Bolkestein, zeggen: „Kleine landen brengen kleine geesten voort”? Of is ons onderwijs geen kweekschool voor mensen met zo’n brede kennis? Zeker, Joop den Uyl was kenner van de Nederlandse poëzie, waaruit hij graag citeerde, en van de theoloog Karl Barth (nog uit zijn gereformeerde jeugd), en Mark Rutte van de patriottentijd in Haarlem (zijn doctoraalscriptie), maar of ze daarmee een internationaal gezelschap (hebben) kunnen boeien, is de vraag.

Jan Peter Balkenende citeerde eens uit het werk van Tocqueville, maar omdat hij deze Alexandre in plaats van Alexis noemde, wekte hij gerede twijfel of hij ooit iets van hem gelezen had. Dan benaderde Hans van Mierlo eerder het ideaal, want hij was een groot lezer en prater, maar zijn kennis was eerder impressionistisch dan diep.

Onderschat de betekenis van zo’n kennis in internationaal milieu niet. Op internationale conferenties wordt niet uitsluitend over zaken gesproken. Er zijn ogenblikken waarop deelnemers zich ontspannen, aan tafel bijvoorbeeld. Dan hangt het van de kennis – en van de humor – van de tafelgenoot af of hij ook zijn buurman of een wijdere kring kan interesseren.

Zelf heb ik eens tijdens zo’n conferentie in München Joseph Luns een geïmproviseerde tafelspeech horen geven, waarin hij Napoleons veldslagen en maarschalken uitvoerig te berde bracht. Nutteloze kennis, zult u zeggen. Misschien, maar hij wist er zijn toehoorders mee te boeien en amuseren. In Nederland werd hij door links (zelfs door Jacques de Kadt) voor een domme man gehouden. Een ernstige onderschatting.

In Frankrijk is het bijna een vereiste dat de presidenten hun – dat wil zeggen: de Franse – klassieken kennen en zich voor de kunsten interesseren. Over ’t algemeen beantwoorden ze aan die norm. Van Nicolas Sarkozy is dit minder zeker, al doet hij soms alsof en nodigt hij intellectuelen uit voor een déjeuner op het Elysée. Welke Nederlandse bewindsman doet hem dit na?

In Groot-Brittannië is het een traditie dat oud-bewindslieden boeken schrijven, vooral biografieën. Winston Churchill gaf natuurlijk de toon aan, maar oud-politici als Roy Jenkins en Roy Hattersley hebben ook serieuze en leesbare boeken geschreven. Onlangs verscheen een boek van Douglas Hurd, minister (Buitenlandse Zaken) onder John Major, over bekende voorgangers van hem. Wie van zijn Nederlandse collega’s doen hem dit na?

We zijn ver afgedwaald van André Jolles’ opmerking uit 1921, maar het is waar dat, omdat we in een klein land wonen, waarvan niemand anders (behalve de Vlamingen) de taal kent, „veel van wat wij schrijven tot op zekere hoogte sans conséquence blijft”. Het buitenland neemt er nauwelijks kennis van en hoeft dat ook, gezien onze kleinheid, niet te doen. Dat stimuleert niet.

De hierboven vermelde boeken met gesprekken met Helmut Schmidt zijn resp. Auf eine Zigarette mit Helmut Schmidt (uitg. Kiepenheuer und Witsch, Keulen) en Unser Jahrhundert. Ein Gespräch (uitg. C.H. Back, München).