Poppenkoppie

‘Ik vraag me af waar ik mijn auto ook weer heb staan.”

„Hoezo?”

„Voor als ik straks naar huis ga.”

„Mam, je hoeft niet naar huis, je bent thuis! Dit is jouw kamer.”

„Ik dacht dat dit jouw kamer was.”

„Nee hoor mam, jij woont hier, kijk maar al je spulletjes staan hier; je blauwe stoel de tafel van oma...”

„Wie heeft dat hier neergezet?”

„Wij, je zit hier in een verzorgingshuis...”

„Een verzorgingshuis? Ik merk niet dat er voor mij gezorgd wordt!”

„Jawel hoor mam, ze helpen je met wassen, aankleden, je krijgt eten!”

„Eten? En... vind ik het hier leuk?”

„Ja hoor! Je zit hier met 7 andere dames en jullie hebben een gezamenlijke huiskamer, heel gezellig!”

„Waar dan?”

„Hiernaast.”

„Hiernaast?! Nou dat wil ik dan wel eens eventjes zien!”

„Kom maar mee!”

„Wacht eventjes, mijn haar, waar is mijn kam? En heb ik nog een lippenstift? Mijn tas! Waar is mijn tas!”

We lopen de huiskamer binnen. Mevrouw Wormerveer, mevrouw Map en mevrouw Glims zitten bij de digitale open haard thee te drinken.

„En, komt het je bekend voor?”

„Ja natuurlijk! Dat zijn allemaal dames van kantoor! Geef iedereen eens netjes een hand!”

We gaan de kring rond. Mijn moeder begroet iedereen alsof ze een verjaardagsfeestje binnenstapt. We schudden handen.

„Dit is Tosca”, roept mijn moeder trots, „mijn oudste dochter!”

„Hoe kan dat nou!” roept mevrouw Wormerveer, zoals gewoonlijk, „zo’n grote stevige meid uit zo’n klein vrouwtje!”

„Ik noem je moeder altijd poppenkoppie”, gaat mevrouw Wormerveer verder, „dat hele snuitje staat ernaar. Kijk dat snoetje! Je zou ’r toch opvreten! Maar dat doen we niet, anders hebben we haar niet meer! Vind je toch niet erg”, vraagt ze aan mijn moeder, „dat ik je popje noem?”

„Nee”, gnuift mijn moeder,„een ander zegt het niet meer tegen me.”

„Anders moet je het zeggen, maar ik noem haar gewoon poppenkoppie, kijk dat fijne snuitje!”

„Tja”, zegt mijn moeder, „ze noemt me altijd Poppenkoppie, moet je daar nu iets van zeggen? Misschien wordt ze wel boos!”

„Je vindt het toch ook niet erg?”

„Welnee, laat haar!!”

„En dit is”, verklaart mijn moeder, terwijl we op mevrouw Glims afstiefelen, „er ook eentje van kantoor.”

„Dat kantoor altijd!” grinnikt mevrouw Glims, „ik weet nergens van, maar ik speel maar mee!”

„En zij! Geef haar maar een hand”, mijn moeder duwt me naar mevrouw Map, „is ook van kantoor.”

„U vergist zich”, zegt mevrouw Map, „ik heb nooit op kantoor gezeten! Ik was veearts, tot de oorlog, toen ging ik natuurlijk niet voor de Duitsers werken, daarna ontmoette ik mijn man en kreeg acht kinderen. Ze komen nog allemaal.”

We gaan naast mevrouw Map op de bank zitten. „Ze kletst”, fluistert mijn moeder, „ze is van kantoor.”

Mevrouw Kistenmaker komt binnen, ze begint iedereen uitgebreid te omhelzen en te zoenen.„Ik vind haar een beetje overdreven”, sist mijn moeder tussen buikspreeklippen.

Mevrouw Kistenmaker zoent mevrouw Wormerveer uitgebreid op haar mond. Mijn moeder kijkt boos.

„Ik vind het niet erg”, roept mevrouw Wormerveer. Dan knijpt mevrouw Kistenmaker mevrouw Wormerveer in haar neus. „He!” roept mijn moeder boos„, niet aan haar neus!” Mevrouw Wormerveer kijkt geschrokken naar mijn moeder. „Ik noem haar altijd poppenkoppie”, verontschuldigt ze zich.

    • Tosca Niterink