Langdurig flexwerk holt economie uit

Flexibel werken put zowel werknemers als bedrijven op de langere termijn uit. Werknemers lopen meer gezondheidsrisico’s door bedrijfsongevallen en stress om de baanonzekerheid. Bedrijven investeren minder in hun tijdelijke werknemers, waardoor hun concurrentiepositie verslechtert.

Dat staat in het eerste onderzoek dat het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging morgen bekendmaakt. Het nieuwe onderzoekscentrum wordt structureel gefinancierd door de FNV.

Met name laagopgeleiden met een zwakke onderhandelingspositie lopen meer gezondheidsrisico’s door flexwerk. „Ze werken vaker in nachtdienst”, zegt hoogleraar arbeidsverhoudingen Paul de Beer, directeur van het bureau. „Of ze worden achter een machine gezet die ze nog niet goed weten te bedienen. Dat vergroot de kans op bedrijfsongevallen. Of ze lijden aan stress, hartstoornissen of slapeloosheid door zorgen over hun inkomen. Psychosomatische klachten die serieuze gevolgen kunnen hebben.”

Bedrijven die veel flexwerkers in dienst hebben kunnen op lange termijn te maken krijgen met minder productiviteitsgroei en minder innovatievermogen. Ze investeren minder in de scholing van flexwerkers en deze werknemers zijn op hun beurt minder loyaal. De Beer: „Het is riskant als je langdurig en zwaar op flexwerk leunt, omdat het erg schadelijk voor de beroepsbevolking en economie kan zijn.”

Toch is de flexibilisering van de arbeidsmarkt uiteindelijk niet goed of slecht te noemen, is de conclusie van de literatuurstudie. De voordelen en nadelen voor werknemers zijn te zeer afhankelijk van individuele werk- en privésituaties. Met name hoogopgeleiden, studenten en scholieren en sommige moeders profiteren van flexwerk.

Met onderzoek moet de vakbeweging „beter beargumenteerd” standpunten bepalen, „uit het defensief” komen en „meer richting geven” aan de „sociaal-economische agenda voor de toekomst”, aldus De Beer. Hij stelt dat de vakbeweging het initiatief dertig jaar geleden heeft verloren aan werkgevers en de overheid. „Volgens mij zijn er niet zoveel mensen die het leuk vinden om lid te zijn van een puur defensieve organisatie.”

Interview De Beer: pagina 28 en 29