Een wonder

Een liefhebber van sneeuw ben ik nooit geweest. Als kind had ik er al een hekel aan en dat is altijd zo gebleven. Het zit waarschijnlijk in m’n genen. Een grotere hekel dan aan sneeuw heb ik eigenlijk alleen maar aan feesten. En van alle feesten die we de afgelopen eeuwen met z’n allen bedacht hebben, vind ik het kerstfeest nog het ergst. Het kerstfeest zou zomaar een straf van God kunnen zijn voor de zonden die we in het verleden begaan hebben. Wanneer ik in God geloofde zou ik daarvan in elk geval overtuigd zijn. Maar ik geloof niet in God. Dat komt niet door m’n genen. Dat komt door het NOS-journaal.

Maar vorig jaar rond deze tijd heb ik heel even gedacht dat er misschien toch een god bestond. Het sneeuwde, het was Kerst en m’n moeder belde. Zoals wel meer mensen, heb ook ik natuurlijk de liefste moeder van de wereld, maar ditmaal had ik haar zelfs bijna heilig verklaard. Ze belde namelijk om te vertellen dat het zo hard sneeuwde dat het werkelijk, en hoe jammer ze het ook vond, te gevaarlijk was om in de auto te stappen. Ik wist het meteen. Dit moest een wonder zijn. En wanneer het om wonderen gaat is er natuurlijk maar een de baas. En met die baas, wie zijn woordvoerder ook is, ga je niet in discussie. En dus loog ik dat ze gelijk had, maar herinnerde haar er niet aan dat ik al drie jaar een auto met vierwielaandrijving bezat waarmee ik wel door zwaardere sneeuwbuien gereden had.

Op de vraag of ik dan misschien de volgende dag Kerst zou kunnen vieren kon ik wel naar eer en geweten een antwoord geven, want hoewel het de volgende dag zondag was, moest ik toch gewoon werken. We vonden het alle twee jammer. M’n moeder vond waarschijnlijk iets anders jammer dan ik, maar omdat we besloten hadden dat het buiten nou eenmaal gevaarlijk was, bleef ik thuis en kon ik banjo spelen met de metronoom die ik voor mezelf als cadeau voor onder de boom had gekocht. Daarna bekeek ik de films die ik voor mezelf en voor mijn broer als cadeau had gekocht en begon ik aan de drank die eigenlijk voor bij het steengrillen bedoeld was. Ik was blij dat ik zo m’n best had gedaan voor de cadeaus dit jaar. Maar ik was vooral blij met de sneeuw. Ik heb God er niet voor bedankt. De volgende dag was het immers zondag en zou ik er, omdat ik nou eenmaal naar m’n werk moest, gewoon doorheen moeten. En dan werd het waarschijnlijk toch weer vloeken.