Abstracte kunst is honderd

Het eerste abstracte kunstwerk ontstond precies honderd jaar geleden. Of was het eerder, of toch later? En wie maakte het eigenlijk? Kandinsky, of was het toch Sonia Delaunay?

Het jaar 1911 is allang voorbij en 2011 bijna. Er zijn dit jaar heel wat dingen herdacht die honderd jaar geleden voor het eerst gebeurden. Honderd jaar geleden werd de eerste vogel geringd. Honderd jaar geleden zette de eerste mens voet op de Zuidpool. Honderd jaar geleden werd Annie M.G. Schmidt geboren. Honderd jaar geleden vestigden de eerste Chinezen zich in Nederland. Honderd jaar geleden stond er voor het eerst een vrouw op de kansel.

Eén jubileum is ongemerkt voorbijgegaan. Honderd jaar geleden werd het eerste abstracte schilderij gemaakt. Ook die gebeurtenis is een mijlpaal, een begin dat het waard is om herdacht te worden. Ik heb tot het eind van het jaar de moed erin gehouden, maar bijna nergens is het ervan gekomen. Alleen in Brussel is er een expositie geweest, Honderd jaar abstracte kunst in België, en in de Amerikaanse stad Berkeley organiseerde een bescheiden centennial. In de rest van de wereld gebeurde niets.

Ook niet in Nederland, terwijl Nederlandse kunstenaars als Mondriaan en Van Doesburg toch pioniers van de abstractie zijn en de abstracte kunst in geen ander land zo gemeengoed is geworden. Het collectieve schilderij voor boven de bank is alleen in Nederland een abstract schilderij, als we Komar & Melamid moeten geloven. Dit Russische kunstenaarsduo liet in de jaren negentig opinieonderzoeken uitvoeren in veertien landen waarin ze mensen naar hun esthetische voorkeuren vroegen. Op basis van de antwoorden maakten Komar & Melamid het meest gewenste en het minst gewenste schilderij. In bijna alle landen, van Kenia tot Frankrijk, is het favoriete schilderij een landschap en het minst favoriete schilderij een abstract werk. Alleen in Nederland was abstractie favoriet, in de vorm van iets wolkerigs.

Drooglegging

Zo weinig aandacht voor een belangrijke verjaardag. Is de abstracte dood, zou het een stroming zijn die de eeuw niet heeft volgemaakt, zoals er wel meer stijlen slechts een paar jaar actief zijn? Dat gegeven hoeft niet met de bevindingen van Komar & Melamid in tegenspraak te zijn. Nederlanders houden ook nog steeds van Toon Hermans en Louis XV. Misschien is een abstract schilderij zoiets als een biedermeierkast of een rococostoel. Antiek.

Abstracte kunst is al vaak doodverklaard. Bijvoorbeeld in 1940 door de Engelse kunstenaar Wyndham Lewis. De doodsoorzaak was volgens hem verveling, niet alleen van het publiek, maar ook van de kunstenaars zelf. „Er is in de natuur niets wat lijkt op een fuga van Bach. Maar het menselijke oog heeft een andere functie dan het menselijk oor”, schreef hij in een geestig artikel in het Amerikaanse tijdschrift The New Republic. „Zonder natuur er door te mengen wordt visuele muziek saai en monotoon. De abstracte schilder begint naar een sappige illusie te verlangen, net zoals de drooglegging mensen naar de fles dreef.”

Toen Wyndham Lewis dit in 1940 schreef moest een aantal van de mooiste abstracte werken, zoals die van Mark Rothko, nog geschilderd worden. Zelfs Mondriaans Victory Boogie Woogie bestond nog niet. Ook nu worden er nog opwindende abstracte schilderijen gemaakt. Zelfs een subgenre als het monochrome doek, in 1915 begonnen met het Zwarte vierkant van Malevitsj, is nog steeds vruchtbaar. Navid Nuur was in oktober een van de winnaars van de Koninklijke Prijs voor de Vrije Schilderkunst met twee studies naar het monochroom.

Het zou kunnen dat het jubileum niet gevierd is omdat het jaartal niet omstreden is. Wanneer werd nou het eerste abstracte kunstwerk gemaakt? In 1911? Of toch in 1910? Of eigenlijk al in 1907? Pas echt in 1912? Welk jaartal je kiest is geen lood om oud ijzer. Het toont aan dat abstracte kunst na honderd, honderdeneen of negenennegentig jaar nog steeds geen uitgemaakte zaak is. De keuze zegt iets over wat kunst is en wat kunst is geweest.

De beste papieren heeft Wassilí Kandinsky, aan wie het Haags Gemeentemuseum in 2010 een expositie wijdde, zonder overigens van een jubileum te spreken. Kandinsky schilderde naar eigen zeggen in 1910 zijn eerste abstracte werk, een aquarel. Maar volgens experts had hij de gewoonte zijn werk te antedateren en is de bewuste aquarel pas geschilderd in 1913. Het echte eerste abstracte werk van Kandinsky zou een schilderij uit 1911 zijn, een compositie met cirkel, die minder bekend is; hij rust in de Georgische hoofdstad Tbilisi.

Over zijn ontdekking van de abstracte kunst vertelde Kandinsky mooie anekdotes. Twee daarvan: op een tentoonstelling van impressionisten in Moskou in 1895 zag hij een schilderij van een stromijt van Monet, maar hij herkende die niet. Een paar jaar later zag hij een schilderij van zichzelf op zijn kop staan, waardoor hij ook niet begreep wat het voorstelde. Beide ervaringen leerden hem dat de waardering voor een schilderij niet afhankelijk is van wat erop is afgebeeld.

Behalve Kandinsky zijn ook andere kunstenaars vaak genoemd als pioniers van de abstracte kunst, onder wie Frantisek Kupka, Michail Larionov, Robert Delaunay en Leopold Survage. Aan de vraag wie echt de eerste was, wagen de meeste historici zich niet. Een twijfelgeval is de Zweedse kunstenaar Hilma Af Klint, aan wie het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem in 2010 een tentoonstelling wijdde. Zij zou al in 1907 abstracte schilderijen hebben gemaakt, geleid door de theosofie van Madame Blavatsky, de esoterische theorie die ook Mondriaan beïnvloed heeft. Af Klimt meende zelf dat zij een soort theosofische symbolen schilderde. Haar schilderijen mochten pas twintig jaar na haar dood in 1941 getoond worden.

Van nog eerder zijn de monochrome werkjes van de Franse schrijver Alphonse Allais, die pas door hun titel hun abstractie verliezen: een wit vlak heet bijvoorbeeld Eerste communie van jonge meisjes met bloedarmoede in de sneeuw. Zoals vaker gaat de parodie in de kunst aan de ernst vooraf.

Kinderdekentje

Af Klint en Allais vallen waarschijnlijk te ver buiten de norm om de geschiedenis van de abstracte kunst te herschrijven. Maar dan is er nog Sonia Delaunay, de vrouw van Robert. Zij maakte in 1911 uit kleine stukjes stof een dekentje voor hun pasgeboren zoontje Charles.

Dit ‘kubistische’ dekentje huist, net als Kandinsky’s al dan niet eerste abstracte aquarel, in het Centre Pompidou in Parijs. Het wordt niet zo vaak tentoongesteld, eigenlijk alleen op exposities over de Delaunay’s of over textielkunst. Niet op tentoonstellingen over abstracte kunst. Het dekentje is dan ook geen schilderij, en schilderijen hebben nog steeds de hoogste status binnen de beeldende kunst, hoger ook dan aquarellen.

Als het dekentje als begin van de abstracte kunst geaccepteerd zou worden, zou er ook geen begin van de abstracte kunst zijn. Dekens zijn al veel langer dan 1911 abstract. Net als vazen en kleding. In de toegepaste kunst was abstractie heel gewoon. Alleen op een schilderij was het gek, een nieuw begin.

In andere culturen was figuratie juist altijd de afwijking geweest. In sommige culturen zelfs verboden. Joden en moslims hebben zich veel meer aan het tweede gebod („Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken”) gehouden dan christenen.

De angst dat een abstract schilderij, als de schok van het nieuwe weggeëbd is, tot decoratie verwordt, heeft deze kunst bijna vanaf het begin parten gespeeld. Begin jaren veertig schreef Clement Greenberg, de paus van het modernisme: „Wij, met onze traditie van easel painting, zijn niet tevreden met beeldende kunst in de vorm van decoratie. Wij vragen van een schilderij wat we vragen van literatuur en muziek: dramatisch belang, innerlijke beweging; we willen dat het een klein toneelspel is, iets waaraan, zelfs als het maar een landschap of een stilleven is, het oog zich kan hechten en laten meeslepen.”

Het is opmerkelijk dat Greenberg aan een abstract schilderij precies dezelfde eisen stelt als aan een figuratief schilderij. Een Kandinsky moet je net zo bekijken als een Da Vinci, een Mondriaan net als een Michelangelo. Maar voor veel abstracte kunst gaat dat juist niet op. Je zou kunnen zeggen dat voor veel pioniers van de abstractie decoratie wel degelijk het uiteindelijke doel was. Zij wilden geen schilderijen maken, zij wilden de hele wereld vormgeven. Schilderijen zouden in de toekomst overbodig worden. Bij Mondriaan is een schilderij daarom te zien als een soort utopie. Een voorafschaduwing van de toekomst, waarin niet het schilderij maar de hele omgeving eruit zou zien als... een schilderij van Mondriaan: „Een constructie van vlakken in kleur en niet-kleur, [...] die niets op zich zelf moeten zijn dan samenstellende elementen van het geheel”, zoals hij in 1926 schreef in het artikel De Woning – De Straat – De Stad.

In de vernieuwende, spannende opstelling van het werk van Mondriaan en De Stijl in het Gemeentemuseum Den Haag is geprobeerd dat idee uit te werken, al blijft er dan iets wringen. Mondriaans utopieën hangen tussen werk van kunstenaars die alvast begonnen waren met het realiseren van de nieuwe vormgeving van de wereld, door de principes van De Nieuwe Beelding door te voeren in interieurs en architectuur. Tussen tapijten en gordijnen worden Mondriaans behang. Ze verliezen hun utopische status. Je zou van de motiefjes een aardig dekentje kunnen maken voor in de wieg. Jurken zijn er al. Een Mondriaan is een Delaunay geworden.

Juist daarom zou het mooi zijn om de geboorte van de abstracte kunst te herdenken. Niet als het begin van een triomf, omdat een triomf in dit geval ook een nederlaag is. De radicaliteit van de abstracte kunst is een gegeven dat misschien alleen nog als historische sensatie te beleven is, niet als hedendaagse. Anders dreigt nostalgie of onverschilligheid.

De mooiste herdenking zou zijn geweest als het Centre Pompidou in 2011 ontruimd was, als er dit jaar slechts één stuk uit de collectie getoond zou zijn: het dekentje van Delaunay. Het Haags Gemeentemuseum zou volgen en leeg zijn op de Victory Boogie Woogie na. Gouden kalveren die toch het tweede gebod niet overtreden. Beeldenstorm en beeldenverering ineen. Maar het is bijna 2012. En herdenkingen zijn nooit zo radicaal als wat ze herdenken. Verdunning, verwatering. Verdoezeling.