Twee plagen beter dan één

De roofmijt speelt een hoofdrol bij de biologische bestrijding in Nederlandse kassen. Zijn jachtmethode is bijzonder: hij vermomt zich met de geur van zijn prooi.

Naar eten ruiken is gênant, maar soms ook nuttig. Roofmijten kunnen zich vermommen voor hun prooidieren en dat doen ze op een wel heel bijzondere manier: ze stinken naar eten. De prooidieren pikken de geur op, denken dat ze veilig zijn en blijven rustig zitten – tot ze opgegeten worden. Dat blijkt uit onderzoek van Roos van Maanen, die volgende maand promoveert aan de Universiteit van Amsterdam.

Veel prooidieren ruiken wat een rover gegeten heeft – lang voor ze de rover zien – en schatten zo het gevaar in. Dat geldt ook voor trips en wittevlieg, twee insecten die vaak plagen zijn in kassen en die biologisch worden bestreden met roofmijten.

Van Maanen: „Ruikt een trips dat een roofmijt een andere trips heeft gegeten, dan vlucht hij onmiddellijk. Of hij valt aan. Tripsen kunnen flinke meppen uitdelen met hun achterlijf.” Ruikt een trips dat de roofmijt een ander beestje gegeten heeft, zoals een wittevlieg, dan reageert hij veel minder adequaat.

Van Maanen draaide het spel om. Ze merkte roofmijten (Amblyseius swirskii) met de geur van wittevlieg óf met de geur van trips. Roken de mijten naar wittevlieg, dan kregen ze twee keer zo veel tripsen te pakken als wanneer ze naar trips roken. Van Maanen: „De reden: de tripsen vluchtten minder. Kennelijk herkenden ze de mijten niet als gevaarlijk.”

Van Maanen denkt dat roofmijten afwisselend tripsen en wittevlieg eten om zich te vermommen met geur. Op zich is er namelijk weinig reden om wittevlieg te eten, als er ook veel tripsen beschikbaar zijn. „Wittevliegen zijn makkelijk te pakken: ze vluchten niet en verdedigen zich niet. Maar ze zijn weinig voedzaam. Van mijten die alleen wittevlieg eten, sterft de helft vroegtijdig, blijkt uit mijn onderzoek.” Telers van kasgewassen als komkommers, paprika of tomaten merken dat ook. „Een plaag van alleen wittevlieg is moeilijk biologisch te bestrijden. Je moet steeds nieuwe zakjes met roofmijten ophangen, omdat er zoveel doodgaan.”

Tripsen daarentegen zijn erg voedzaam. Van mijten die alleen tripsen eten, sterft gemiddeld maar 20 procent voor ze volwassen zijn. Het nadeel is dat tripsen moeilijk te vangen zijn. Van Maanen: „Een mijt verspilt veel energie met achter de trips aan rennen en klappen incasseren. Meestal ontkomt de trips.”

Een gemengd dieet van tripsen en wittevlieg blijkt de beste levenskansen te geven. Bijna alle mijten worden volwassen. Van Maanen: „En wat voor de biologische bestrijding nog belangrijker is: op een gemengd dieet worden roofmijten snéller volwassen. Ze leggen al na een dag of zes nieuwe eieren. Zo groeit het aantal mijten in een kas snel. Mijten die alleen tripsen eten of alleen wittevlieg, zijn pas na acht dagen volwassen.”

Waarom roofmijten zoveel beter gedijen op een gemengd dieet, is nog niet bekend. Van Maanen: „Eerder vermoedden we al dat er in elke prooisoort unieke voedingsstoffen zitten die allemaal nodig zijn voor een complete voeding. Nu komt er een nieuwe verklaring bij: door wisselend te eten en zich met geur te vermommen, kunnen mijten makkelijker de voedzame tripsen vangen.”

Van Maanen raadt telers aan om bij een plaag met alleen wittevlieg, wat trips in de kas te zetten. „Dan groeit de populatie mijten tien keer zo hard als zonder trips. Zo wordt de wittevlieg veel beter bestreden. ”

Vanouds zetten telers per plaag één rover in die één plaagdier lust. „De laatste jaren worden ook rovers gebruikt die meer prooisoorten eten, zoals roofmijten. Vliegt er dan een nieuwe plaag je kas in, dan zit je rover er al. Die bestrijdt de nieuwe plaag snel en goedkoop en de aanpak van de oude plaag is effectiever.”

    • Berber Rouwé