Sollicitatiegesprek

Wat heeft minister Opstelten precies tegen Alexander Rinnooy Kan gezegd toen die kwam solliciteren voor de baan van vicepresident van de Raad van State?

„Jij wordt het niet”?

„Dat heb ik niet gezegd”, liet Opstelten telefonisch weten in het tv-programma College on Tour. Iedereen in dat programma tevreden en blij: de schaterlachende premier, die de hoofdgast was, zijn schaterlachende interviewer („U bent een van de leukste gasten van het seizoen”) en het schaterlachende publiek.

Maar ik weet toevallig wat Opstelten wél gezegd heeft en wil daar hieronder graag verslag van doen.

Toen Rinnooy Kan op de werkkamer van de minister kort en bondig uitgelegd had waarom hij de baan ambieerde, keek Opstelten hem diep in de ogen en zei op zijn bekende vaderlijke wijze: „Alexander, je weet dat ik jou een goed hart toedraag. Alles wat ik je nu ga zeggen, moet je dan ook opvatten als een advies van iemand die het beste met je voorheeft.

„Dat jij bereid bent vicepresident van de Raad van State te worden is op zichzelf goed nieuws voor Nederland. Excellente staatsburgers die zich willen inzetten voor dit land hebben we hard nodig. Oók als ze uit D66 komen – partijbelangen mogen hierbij geen enkele rol spelen, de boosaardige suggestie dat de VVD deze baan bij de formatie aan het CDA gegund heeft, werp ik dan ook verre van mij. Jouw grote kwaliteiten overstijgen al die partijbelangetjes. Wij hebben het diepste respect voor jouw gaven en verdiensten.”

Hier liet de minister zijn blik dwalen over de brief voor hem waarin Rinnooy Kan zijn glanzende antecedenten had vermeld. „Doctor in de wiskunde, hoogleraar Erasmus, voorzitter VNO-NCW, voorzitter SER…Alexander, ik vind het knáp, man! Jij hebt je partijtje meegeblazen, zou ik zeggen. En nu wil je dus graag vicepresident van de Raad van State worden? Tja, wat moet ik daarvan zeggen?”

Hij leunde voorover naar de SER-voorzitter terwijl hij in zijn stem de diepste bastonen zocht. „Alexander, misschien ga ik nu iets te vaderlijk klinken, maar ik ben dan ook alweer wat jaartjes ouder en dat vaderlijke zit nu eenmaal in mij. Kijk, ik vroeg me af of het wel verstándig van je is om vicepresident van de Raad van State te willen worden. Weet je wel zeker dat die baan je zal liggen?

„Zó leuk is het namelijk heus niet. Ja, het is een uitermate prestigieuze baan, maar daar moet een nuchter man als jij dwars doorheen kunnen kijken. Laat ik je even helpen. De Raad van State is, zoals je weet, het hoogste adviesorgaan van de regering. Goed, prachtig. Maar Tjeenk Willink, de huidige vicepresident, heeft wel eens gezegd dat je niet bij de Raad moet gaan werken als je er slecht tegen kunt dat je adviezen niet worden opgevolgd. Dat zegt wel wat over de wereld waarin je terecht zult komen, Alexander. Een wereld van dossiers en rapporten – een woestijn van papier.

„Zul jij je daarin wel gelukkig voelen? Jij met je kwikzilverige verstand en je, hoe zal ik het zeggen, D66-achtige frisheid van limoenen? Ben jij bestand tegen de verpletterende saaiheid van zo’n bestaan?”

De minister stond op en gaf de inmiddels bleek weggetrokken SER-voorzitter een bemoedigend klopje op zijn rug. „Als ik mijn advies kort mag samenvatten, Alexander: jij bent hier te goed voor, doe het jezelf niet aan!”

„Maar kan ik het wel worden?”, wist Rinnooy Kan nog bevend uit te brengen.

„Dat heb ik niet gezegd”, zei de minister.

    • Frits Abrahams