Oppositie meldt bloedbad in Syrië

Dagen voordat Arabische waarnemers in Syrië worden verwacht hebben Syrische mensenrechtengroepen tientallen doden gemeld bij overheidsgeweld tegen oppositie-activisten.

Het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten in Londen meldde dat gisteren in Kfar Oweid in de opstandige noordwestelijke provincie Idlib 111 mensen zijn gedood door regeringseenheden. De organisatie baseert zich op berichten van plaatselijke activisten. Het is onmogelijk van onafhankelijke zijde de cijfers bevestigd te krijgen.

In Homs, eveneens een bolwerk van opstandelingen, zouden 12 mensen zijn doodgeschoten. Een dag eerder meldde het Observatorium het doodschieten van 70 legerdeserteurs door regeringstroepen. De Verenigde Naties, die mede afgaan op de oppositiecijfers, schatten het totale aantal doden boven de 5.000.

De Syrische Nationale Raad, waarschijnlijk de grootste oppositiegroep, riep vanochtend op tot een bijeenkomst van de VN-Veiligheidsraad „in het licht van deze afschuwelijke slachtpartij”. De oppositie sprak van „genocide”.

De waarnemers moeten een begin maken met de uitvoering van het vredesplan van de Arabische Liga, dat ook de terugtrekking van het leger uit de steden, vrijlating van de tienduizenden politieke gevangenen en onderhandelingen met de oppositie eist. De meeste oppositiegroepen willen overigens niet met het regime van president Assad praten.

De Amerikaanse regering liet gisteren weten dat het Arabische vredesplan mogelijk resultaten oplevert mits Damascus doet wat wordt geëist. Volgens het State Department biedt het Arabische voorstel „de beste mogelijkheid een onmiddellijk einde te maken aan het geweld, zodat Syrië verder kan gaan”. De woordvoerder onderstreepte dat het regime „een werkelijke dialoog moet houden over een democratische toekomst. En we denken niet dat Assad daarvan deel kan uitmaken.” „Ons standpunt is niet gewijzigd: dat Assad moet opstappen, dat hij niet de man is om zijn land de toekomst in te leiden”. (AP, AFP, Reuters)