Meten en weten in de zorg

Ook de ooit paternalistische medische wereld moet eraan geloven. De medici worden meer en meer onderworpen aan competitie. En daarmee aan lijstjes en statistiek, waarin de kwaliteit en rangorde van verschillende ziekenhuizen kunnen worden geobjectiveerd.

In een tijd waarin de kosten van de gezondheidszorg onbeheersbaar lijken, is daar ook behoefte aan. De aandacht voor de jaarlijkse ziekenhuisranglijsten van Elsevier en het Algemeen Dagblad illustreert dat.

Maar die hitparades zijn en blijven wel particuliere en dus wat vrijblijvende initiatieven. Daarom is het goed dat er sinds gisteren een lijst bestaat die is gebaseerd op berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS): de Hospital Standardised Mortality Ratio (HSMR).

Deze lijst bevat geen breed palet van kwaliteitseisen, zoals het aantal behandelingen dat een specialist doet, noch subjectieve waarnemingen, zoals patiëntenbegeleiding of de kwaliteit van het eten. De HSMR meet, gecorrigeerd en afgezet tegen landelijke gemiddelden, de kern: leven en dood.

De HSMR-lijst is het resultaat van hardnekkige druk van het Ministerie van VWS en de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Sinds de zorg is onderworpen aan marktwerking en concurrentie, waarbij verzekeraars en ziekenhuizen een hoofdrol spelen, is er behoefte aan instrumenten om ‘waar voor je geld’ te kunnen meten.

Dat is niet van de ene op de andere dag te realiseren. Eenderde van de ziekenhuizen slaagde er niet in de data ordentelijk te bezorgen. Vijf van de acht academische centra konden het CBS niet eens genoeg gegevens leveren. Dat geeft te denken: of de universitaire ziekenhuizen hebben hun bestanden niet op een rijtje, of ze voelen zich niet aangesproken. Hoe dan ook, de HSMR-lijst is een cultuuromslag. En dat kost tijd.

Maar tijd is niet het enige. De eerste lijst geeft meteen al aan hoe verraderlijk statistiek kan zijn. De ziekenhuizen in de Elsevier-topdrie scoren in de HSMR gewoon gemiddeld tot behoorlijk slecht. Verwarrend. Bovendien worden in de HSMR vooralsnog alleen hele ziekenhuizen en geen aparte afdelingen statistisch beoordeeld. Goede en slechte sterftecijfers kunnen binnen één ziekenhuis dan tegen elkaar worden weggestreept. Patiënt en verzekeraar weten dan nog niet waar ze aan toe zijn.

Dat zijn vermoedelijk opstartproblemen. De HSMR-lijst is dan ook een logische stap. Zonder objectiverende cijfers zijn in een competitieve gezondheidszorg de kosten en de prestaties niet te beheersen.

Maar statistiek mag geen geloof worden. Er moet ruimte blijven voor het onberekenbare ‘diagnostische oog’ van de arts en voor het eveneens ongrijpbare ‘vertrouwen’ daarin van de patiënt.