Kannibalen met Kerst

Er wordt vandaag een televisieprogramma vertoond waarbij twee heren een piepklein stukje van elkaars vlees als een biefstukje bakken en opeten. Wat de overwegingen voor deze mise-en-scène geweest zijn, is mij onduidelijk. Sensatiezucht, kijkcijfers, misschien zelfs kwaliteitsbevordering? Dat laatste zou het geval zijn indien er een verstandig debat was georganiseerd over de geschiedenis van het kannibalisme en de expressie daarvan in de kunst. Helaas, die kans is gemist, terwijl dat nu net de taak lijkt van de publieke omroep.

Over weinig onderwerpen was en blijft zo veel te doen. Niemand blijft onverschillig tegenover kannibalisme. De reactie varieert van fysieke afschuw tot fascinatie, of allebei tegelijk. Kannibalen kunnen rekenen op diepe morele afkeur – dat was al zo bij de ‘ontdekking’ van primitieve volken waar kannibalistische rituelen voorkwamen. Dat geldt ook voor menselijk kannibalisme onder extreme situaties, zoals op het beruchte vlot met overlevenden van Le Radeau de la Méduse, of bij die vliegramp destijds in de Andes. Ik heb het hier niet over modern crimineel kannibalisme, dus het met opzet doden van de ander om hem op te eten. Dergelijke gevallen van kannibalisme komen zeer sporadisch voor, zoals de ‘kannibaal van Rotenburg’ in Duitsland. In de jaren tachtig was er een berucht geval van een Japanner die in Parijs een Nederlandse studente doodde en vervolgens opat.

Kannibalisme bij dieren staat ons net zo goed tegen, in ieder geval bij hogere dieren. Kannibalisme in het dierenrijk lijkt een evolutionaire aanpassing, een efficiënte manier van voedselvoorziening en regulering van de populatie. Ook bij voornamelijk vegetarische chimpansees zijn gevallen van kannibalisme waargenomen. De radicale omslag in het denken over dierlijk kannibalisme kwam met het ontstaan, midden jaren negentig, van de zogenaamde gekkekoeienziekte (BSE) die leidde tot een humane vorm (variant Creutzfeldt-Jakob Disease) waaraan ruim 130 mensen overleden.

BSE werd veroorzaakt door het voeren van slachtafval aan koeien waarmee een prion werd overgedragen. Dit bleek hetzelfde mechanisme dat de ziekte kuru bij de ritueel kannibalistische Fore op Nieuw-Guinea veroorzaakte. De hevige reactie in het Verenigd Koninkrijk weerspiegelde niet alleen de schok over de besmetting van een tot dan toe onschuldig beschouwde voedselketen, maar minstens zozeer de afschuw over het tot het uiterste drijven van de efficiëntie van de veehouderij waarbij zelfs resten van dieren van dezelfde soort weer voer worden.

En toch is dat wat de duurzaamheidsgoeroes als Michael Braungart van de cradle to cradle-beweging voorstellen: alle afval is voedsel. Alles moet gerecycled worden, of desnoods verbrand. Dat is ecologisch ook een volkomen normaal principe. Ieder ecosysteem functioneert dankzij het hergebruiken van afval, namelijk uitwerpselen en dode organismen. Met wormen en bacteriën of zelfs het winnen van mineralen uit riolen hebben wij geen moeite. Maar kannibalisme zelf is onacceptabel. Iedereen, behalve wellicht een schaarse sciencefictionschrijver of een verstokte duurzaamheidsactivist, zal zich ervoor hoeden om een dergelijke suggestie te doen. Dat hoeft ook niet, want hoe wij ook met onze doden omgaan, begraven of cremeren, uiteindelijk gaat er niets verloren uit het ecosysteem Aarde.

Bij de mens is buiten noodsituaties kannibalisme een cultureel complexe daad die zeker niet lichtvaardig wordt uitgevoerd. De beroemde antropoloog Claude Lévi-Strauss stelde al dat wij ten diepste allen kannibalen zijn. Hij noemde kannibalisme de voedingskundige incest, een verwijzing naar dat andere, even grote taboe. De meest overtuigende manier waarop wij ons met de ander identificeren is hem op te eten, zo schreef hij. Bij veel zogenaamd primitieve stammen is kannibalisme een spirituele daad tegenover de overledene. Veelal is het een gebaar van respect en zelfs intimiteit, of een vorm van onderwerping van vijanden door hun krachten op te nemen. Ook bij mensenoffers, zoals destijds bij de Azteken en uit het verhaal van Abraham en Isaac, gaat het nooit om een lichtzinnige handeling. Dat is heel iets anders dan het beeld van de wrede wilde die als dier zijn medemensen verscheurt. Lévi-Strauss was de eerste die de parallel legde met orgaandonatie. Is er een principieel verschil tussen het eten of het ontvangen van een orgaan? En hoe zit het dan met moedermelk? Of het geven van bloed? Met wat goede wil zou je dergelijke daden van opoffering en liefde ook als een vorm van kannibalisme kunnen zien.

In deze dagen van overvloedig consumeren aan de kerstdis kan het kannibalisme mooi als discussiepunt ter tafel komen bij de ‘groene kalkoen’ of de ‘pure lamsboutjes’. Kannibalisme is namelijk de metafoor die de dierenrechtenbeweging graag gebruikt om aan te geven hoe grensoverschrijdend het eten van vlees is. Wie vlees eet, eet zijn eigen soort, zo zeggen sommigen letterlijk, want dieren zijn aan mensen gelijk.

Dat gaat me zeker te ver. Over vleesconsumptie zijn we echter niet uitgepraat – het is daarom teleurstellend dat het debat over ritueel slachten opnieuw niet de hele voedselketen ter discussie heeft gesteld.

    • Louise O. Fresco