Het einde van de dorpsschool

In veel kleine dorpen daalt het aantal leerlingen van basisscholen. Scholen moeten sluiten.

Ouders zijn vaak blij met de grotere school verderop.

Nederland, Baarland, 14-12-2011 Voormalig lagere school De Berenburcht. In Baarland wonen ongeveer 600 mensen en er zaten in totaal 10 leerlingen op de school. De kinderen gaan nu in het nabijgelegen Kwadendamme naar school. Foto: Joyce van Belkom Joyce van Belkom

Ruim een jaar geleden verhuisde econometrist Joris Meijaard uit de Randstad naar het afgelegen dorp Baarland, diep in Zeeland. Hij en zijn vrouw kochten de voormalige pastorie, een statig vrijstaand pand naast een tot restaurant omgebouwde kerk. Op een steenworp afstand staat de enige school in het dorp: openbare basisschool de Berenburcht. Ideaal voor hun drie jonge kinderen. Helaas: de school ging sluiten, hoorden ze van het hoofd. Er waren nog maar tien leerlingen over.

In tientallen dorpen zullen de komende jaren scholen moeten sluiten, soms net als in Baarland de laatste school van het dorp. In klassieke krimpgebieden als Zeeland, Zuid-Limburg en Noordoost-Groningen, maar ook in Friesland, Drenthe en de Achterhoek. Het minimumaantal leerlingen is 23. Als een school daar drie jaar onder blijft, moet hij dicht.

Bij ongewijzigd beleid verdwijnen tot 2015 negenhonderd dorpsscholen, berekende het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven. Dat is nogal wat. Zal het de leegloop van het platteland versnellen? Is het de genadeklap voor een dorp als de school sluit? Willen mensen er dan nog wel gaan wonen?

De angst voor een doods dorp is groot bij bewoners, die steevast hevig tegen schoolsluiting protesteren. Maar onder schoolbesturen en beleidsmakers is het steeds minder taboe. De gedachte dat elk dorp zijn eigen school moet hebben, verliest terrein. De onderwijsinspectie wijst al jaren op het belabberde onderwijsniveau van veel piepkleine schooltjes. Uit onderzoek in Zeeuwse gemeenten blijkt dat dorpskernen zonder school gemiddeld hoger scoren op ‘leefbaarheid’ dan hun gemeente als geheel. Bewoners zijn er eerder meer dan minder tevreden over hun woonplaats.

De kinderen van Joris Meijaard, 4, 6 en 10 jaar, gaan nu naar school in Kapelle. Dat is zo’n veertien kilometer van Baarland. Niet dat er dichterbij geen andere scholen zijn. Maar die in Kapelle heeft naschoolse opvang waar veel aan sport wordt gedaan. Dat gaf de doorslag, zegt Meijaard. „En we moesten toch via de snelweg naar ons werk.” Zijn vrouw werkt in een ziekenhuis in Goes, hij forensde naar Rotterdam. Inmiddels heeft hij een onderzoeks- en adviesbureau aan huis.

De gevel van een rijtjeshuis in Rimburg, in de Oostelijke Mijnstreek van Limburg, is versierd met een blauw spandoek en een kartonnen baby. Al de zevende baby dit jaar, zegt Gerda Kleine, gepensioneerd basisschoollerares. Ze zullen straks niet in het dorp naar school gaan. Ook rooms-katholieke basisschool Bei de Ling in Rimburg is gesloten, ruim een jaar geleden. Op de ruiten zijn nog verbleekte raamschilderingen te zien. „Ik denk niet dat ik de nieuwe generatie Rimburgers goed leer kennen”, zegt Kleine. „Sinds de school dicht is, spreek ik nauwelijks nog kinderen en hun ouders.”

Ook dorpsraadvoorzitter Lenie Haarbosch vreest verlies aan contact, vooral tussen de dorpsjeugd onderling. „Kinderen brengen steeds minder tijd door in het dorp.” Bij de vijftien verenigingen van Rimburg, waaronder een carnavalsvereniging en fanfare, zijn vooral volwassenen actief. Kinderen die in clubverband willen sporten, moeten naar een groter dorp. Inmiddels heeft de dorpsraad vriendenclub De Wormpjes opgericht, waar de dorpskinderen eens per maand toch met elkaar kunnen spelen.

Maar niet iedereen is somber. Ouders in Rimburg zijn achteraf opvallend positief over de sluiting van de school, zelfs als ze zich vooraf hebben verzet. Eerlijk is eerlijk, zegt huisvader Jan Spierts: „Onze kinderen hebben het erg naar de zin op hun nieuwe school. Ze hebben meer vriendjes dan voorheen.” Zijn twee kinderen gaan naar een school in Abdissenbosch, 6 kilometer verderop. Dat is elke dag minstens twee keer op en neer met de auto. Soms nog vaker, als de kinderen na school een speelafspraak hebben.

Er is een carpoolsysteem bedacht om die last te verlichten. „Daar moet je wel een grote auto voor hebben”, zegt vader Marc Starremans. „Als je zelf drie kinderen hebt en je neemt er nog drie of vier mee, dan is dat proppen.” Zelf brengt hij zijn kinderen meestal op de fiets naar hun nieuwe school. En ach, als fietsen eens niet uitkomt, vindt hij brengen met de auto ook geen punt. „Veel met de auto rijden hoort erbij als je op het platteland woont. Voor een school op loopafstand moet je in een drukke stad gaan wonen. Maar daar wilden mijn vrouw en ik juist vandáán.”

Woensdagmiddag, kwart over twaalf in Baarland. Dorpsraadvoorzitter Jet Remijn praat in haar schommelstoel over de sluiting van de Berenburcht. Dan rijdt buiten een roodwitte schoolbus voorbij, van de gereformeerden. „Op zich wonen hier nog best veel kinderen”, zegt Remijn. „Maar de helft gaat naar een andere school.” Al sinds jaar en dag gaan de strenggereformeerde kinderen naar school in ’s-Gravenpolder. Hadden hun ouders voor de dorpsschool gekozen, dan was de Berenburcht misschien nog open.

„We hebben weleens geprobeerd hen hier op school te krijgen”, zegt Bianca Traas, moeder van Kevin (11) en Ramona (9) die tot het laatst toe op de Berenburcht hebben gezeten. „Dat lukte niet. Sinterklaas doen zij niet. Kerst is anders. Dat werkt niet.”

Traas’ kinderen gaan nu naar de rooms-katholieke school in Kwadendamme, vier kilometer verderop. Ramona wordt gebracht. Kevin fietst bij goed weer zelf over de kronkelige asfaltweg met smalle fietsstrook. Niet zo veilig, vindt Traas. Een ander nadeel: „Je wordt op kosten gejaagd. We hebben een tweede auto gekocht die we anders niet nodig hadden gehad.” Maar voor haar kinderen vindt ze de grotere school een verbetering. „Op de Berenburcht had mijn dochter één ander meisje, met wie ze niet veel had. Mijn zoon had niemand met wie hij zichzelf kon meten.”

    • Joke Mat
    • Yasmina Aboutaleb