Altijd compleet in het moment

Amerika’s grootste filmcriticus Pauline Kael, tien jaar geleden overleden, wordt herdacht met twee dikke boeken. Voor Kael was film als het leven zelf: in de bioscoop vluchtte ze voor het ‘doodse curriculum’ van universiteiten en musea.

This is an undated photo of movie critic Pauline Kael. Kael, a brash, witty champion of artistic quality who thrashed both facile commercialism and self-indulgent pretense from her lofty perch at The New Yorker, has died. She was 82. A spokeswoman for the magazine said Kael died Monday, Sept. 3, 2001, at her home. (AP Photo) ASSOCIATED PRESS

Vrijwel tegelijk verschenen twee twee dikke boeken van en over Pauline Kael, de beroemde filmcriticus van The New Yorker, die tien jaar geleden overleed. Dat was in de VS aanleiding voor overdadige nostalgie. Kael staat symbool voor een tijdperk waarin de film en de filmkritiek er echt nog toe deden. Met haar legendarische bespreking van Bonnie and Clyde (1968) maakte ze in één klap de geesten rijp voor de wedergeboorte van de Amerikaanse cinema in de jaren zeventig. Hollywood zette toen de deuren open voor eigengereide filmauteurs als Martin Scorsese, Francis Ford Coppola, Robert Altman en Sam Peckinpah – totdat het megasucces van Jaws en Star Wars een einde maakte aan het feestje van de filmauteurs. Dat waren ook Kaels gloriejaren.

Met sommige van die filmmakers was Kael persoonlijk bevriend. Dat is nog altijd aanleiding voor snibbige opmerkingen dat haar beroepsethiek te wensen overliet. Maar zulke kritiek houdt te weinig rekening met Kaels onbedwingbare neiging altijd te zeggen waar het op stond. De uitnodigingen voor feestjes bij Woody Allen thuis droogden snel op nadat ze een van zijn films onder handen had genomen.

Nostalgie is er ook naar de epische lengte van haar stukken. Voor haar beschouwing over Bonnie and Clyde nam ze 7.000 woorden (tien keer de lengte van een gemiddelde filmrecensie). In weerwil van veel hedendaagse managementwijsheid in de media waren het de oudere lezers die zich beklaagden over Kaels eindeloze woordenstroom; jongere lezers van The New Yorker vonden het prachtig. Zij zagen in Kael een geestverwant, hoewel ze bijna vijftig was toen ze bij het tijdschrift kwam en eindelijk arrivé was.

De beste remedie tegen de nostalgie die de herinnering aan Kael oproept, is Kael zelf te lezen. Want wat film verder ook nog voor haar betekende, voorop stond de intense beleving van het moment: de aanscherping van de zintuigen, waardoor de filmkijker op de beste momenten misschien meer leeft dan in het leven zelf. Haar kennis, schrijfstijl en analytische vermogens waren imposant. En zonder die kwaliteiten zou haar enthousiasme – dat zich zowel positief als negatief kon ontladen – volledig in de lucht blijven hangen. Maar dat zijn toch kenmerken die ondergeschikt zijn aan haar vermogen op te gaan in het hier en nu – en dat moment later te kunnen reconstrueren en op haar lezers over te brengen. Kael weigerde uit principe om films waarover ze schreef meer dan één keer te zien. Het moment was onherhaalbaar.

Onlangs verscheen onder de titel The Age of Movies (The Moment of Movies was eigenlijk een betere titel geweest) een forse selectie uit haar werk in de prestigieuze reeks van de Library of America: het literaire geheugen van de VS, waar tussen Hemingway, Faulkner en Roth ook filmstukken welkom zijn. Een fraai eerbetoon, volkomen op zijn plaats ook, maar toch enigszins overbodig, aangezien Kael zelf al een ruime selectie uit eigen werk heeft gemaakt in het vuistdikke For Keeps.

Belangrijker is de biografie van Brian Kellow, Pauline Kael. A Life in the Dark. Dit boek is vermoedelijk een unicum: niet eerder is er een biografie verschenen over een filmrecensent, uitgezonderd de Fransman André Bazin. Maar dat was meer een filmfilosoof, wat Kael zeker niet was. Kellows boek is vooral waardevol als het gaat om de eerste helft van Kaels leven. Zelf wilde ze nooit veel kwijt over haar afkomst, hoewel ze er trots op was aan de westkust van de VS opgegroeid te zijn, en nooit te hebben behoord tot intellectuele en literaire establishment aan de oostkust.

Op het hoogtepunt van haar roem was ze de meest gelezen en meest invloedrijke criticus van de VS, maar Kael heeft zich altijd een outsider gevoeld. Dat was niet alleen maar koket. Bizar om te lezen dat ze bij The New Yorker gedurende het grootste gedeelte van haar aanstelling slechts zes maanden per jaar in dienst was; in de andere helft van het jaar deed Penelope Gilliatt de filmbesprekingen. Tijdens dat vrije halve jaar kreeg ze niet betaald en moest ze rondkomen van lezingen. Haar relatie met de hoofdredacteur van het blad, William Shawn, was altijd gespannen. Shawn ging persoonlijk met de rode pen door haar kopij om de hippe schuttingtaal te schrappen, waar Kael een zwak voor had. The New Yorker was haar eigenlijk te beschaafd en bedaagd. De jonge lezers en filmmakers in de jaren zeventig die instinctief een bondgenoot in haar zagen, hadden daarin gelijk – ook al was ze van een andere generatie die getekend was door de crisis van de jaren dertig en daar hardheid en doorzettingsvermogen aan ontleende.

Kael behoorde nog tot de generatie waarvoor film geen algemeen aanvaarde en gerespecteerde kunstvorm was, maar juist een middel om te ontsnappen aan de verdorde hoge cultuur. Als fanatieke bioscoopbezoeker ontleende ze daar al jong een gevoel van vrijheid aan. Ze ontkende niet dat sommige filmmakers grote kunstenaars konden zijn: haar grootste liefdes waren Jean Renoir en Robert Altman. Maar voor Kael was film zowel minder dan kunst (voor goedgemaakte trash haalde ze haar neus niet op) als meer: film kon het leven zelf omvatten, een ontsnappingsmogelijkheid voor het doodse curriculum van de universiteit en het museum. Dat speuren naar leven maakte haar de ideale recensent van acteurs. Het werkelijkheidsgehalte van film was van doorslaggevend betekenis, niet de functie van de cinema om moderne mythen vorm te geven en te verspreiden. Ze haalde haar neus op voor de western, het Amerikaanse mythologische genre bij uitstek. Mythen verstikken het leven, duwen het weg.

Haar vader was een Californische kippenboer die alles kwijtraakte tijdens de crisis van de jaren dertig en helemaal overnieuw moest beginnen in San Francisco. Kael studeerde enkele jaren filosofie aan de universiteit van Berkeley. Ze kreeg een dochter met de dichter en bohémien James Broughton, met wie ze nooit trouwde. Jarenlang zwoegde ze als programmeur bij een onafhankelijk filmhuis in San Francisco, terwijl ze haar geld onder meer verdiende als naaister. Ze begon met het schrijven van programmatoelichtingen voor haar bioscoop en presenteerde – onbetaald en voor een piepklein publiek – een filmprogramma op het publieke radiostation KPFA. Haar eerste poging een voet tussen de deur te krijgen in culturele kringen in New York in de vroege jaren vijftig liep op niets uit. Ze klom daarna langzaam op via kleine filmbladen, maar feitelijk is het een klein wonder dat The New Yorker haar een podium bood.

Het kan zijn dat Kael geen opvolgers heeft onder de hedendaagse recensenten van grote kranten en tijdschriften in de VS. Film en filmrecensenten nemen een minder centrale plaats in in de Amerikaanse cultuur; het debat is vergruisd. Maar mogelijk zit haar opvolger nu woest (en onbetaald) voor zich uit te tikken in een hoekje van internet, en zich net zo op te winden over de stommiteiten van de gevestigde namen bij grote kranten, zoals Kael altijd deed, totdat haar hoofdredacteur Shawn haar verbood nog langer collega’s af te fakkelen. Zonder zich iets aan te trekken van lengtes en aantal woorden. Ze past beter bij die ongeremde, ongeregelde webcultuur.

Als Pauline Kael ergens zal reïncarneren, dan is het daar.

Brian Kellow: Pauline Kael. A Life in the Dark. Viking, 417 blz. The Age of Movies. Selected Writings of Pauline Kael. Library of America, 750 blz.

    • Peter de Bruijn