Vanzelfsprekende scheiding mag niet langer norm zijn

Kinderen hebben te veel last van gemakkelijk scheidende ouders. Een zwaardere stem van het kind in de ontbinding van relaties zou op haar plaats zijn, zegt Jaap Dronkers.

Het gezin staat al een paar decennia onder druk van hoge echtscheidingspercentages. De echtscheidingspercentages in West- en Noord-Europa zijn lager dan in de Verenigde Staten, omdat in die Europese landen veel langdurige relaties zijn gebaseerd op samenlevingscontracten. Die hoge percentages ongehuwd samenlevende volwassenen met kinderen in West- en Noord-Europa flatteren de echtscheidingspercentages.

Ook in Europese landen waar echtscheiding moeilijk is, zijn echtscheidingspercentages geflatteerd. Ouders die niet meer samenwonen, staan daar vaak officieel nog steeds geregistreerd als getrouwd. Uit PISA 2003, een internationaal vergelijkend onderzoek over onderwijs, blijkt dat bijna de helft van vijftienjarige leerlingen in de Verenigde Staten niet meer bij zijn beide ouders woont. In de Scandinavische landen en in het Verenigd Koninkrijk geldt dat voor 30 tot 40 procent van de vijftienjarige leerlingen. In Nederland woont meer dan 20 procent van de vijftienjarige leerlingen niet bij zijn beide ouders. Zelfs in Polen woont 15 procent van de vijftienjarige leerlingen niet bij zijn beide ouders.

Onder empirische onderzoekers bestaat grote consensus dat een scheiding van al dan niet gehuwde ouders negatieve gevolgen heeft voor de onderwijsprestaties van hun kinderen. Dit betekent niet dat alle ongunstige verschijnselen van eenoudergezinnen mogen worden toegeschreven aan die scheiding, maar ook als met de periodes voor en na de scheiding rekening wordt gehouden, beïnvloedt de ouderlijke scheiding nog steeds de onderwijsprestaties van kinderen in ongunstige zin – psychologische spanning, lager inkomen, verslechtering en vermindering van ouderlijk contact, afname in ouderlijke steun en toezicht.

Over de relatie tussen hoge scheidingspercentages in een samenleving en de gevolgen van scheiding voor kinderen bestaan twee tegengestelde verwachtingen. De optimistische verwachting veronderstelt dat de hoge scheidingspercentages het eenouderschap hoe langer hoe normaler maken, waardoor het geaccepteerd raakt en zijn negatieve stigma verliest. De pessimistische verwachting stelt dat ouders in samenlevingen met hoge scheidingspercentages al scheiden bij een laag niveau van conflicten – ze zijn alleen maar ongelukkig.

Er is meer empirische steun voor de pessimistische verwachting dan voor de optimistische verwachting. De eventuele voordelen die een scheiding voor ouders oplevert, gelden minder voor kinderen. Zij dragen de last van een scheiding; er waren minder ernstige conflicten in het nog niet gescheiden gezin. In onderzoek dat ik uitvoerde met M. de Lange en M. Wolbers tonen we dat het verschil tussen de onderwijsprestaties van leerlingen uit een- en tweeoudergezinnen groter wordt in samenlevingen met grotere percentages eenoudergezinnen.

De ongunstige gevolgen van scheiding voor kinderen bestrijken een breed terrein – van onderwijsresultaten tot problemen bij het opbouwen van eigen relaties en crimineel gedrag. Ook lopen kinderen van gescheiden ouders een grotere kans om zelf te scheiden. Dit soort langetermijngevolgen komt ook voor in landen met hoge scheidingspercentages en een grote maatschappelijke acceptatie van scheiding, zoals Finland.

Een hoog percentage gescheiden ouders tast ook het functioneren van maatschappelijke instituties aan. In ons onderzoek tonen we dat alle leerlingen, ongeacht of hun ouders gescheiden zijn, minder goed presteren op scholen met een groot aantal leerlingen uit eenoudergezinnen. De schoolprestaties van leerlingen met een alleenstaande moeder op scholen met een hoog percentage leerlingen uit eenoudergezinnen zijn nog slechter.

Dit betekent dat scheiding niet uitsluitend een privé-aangelegenheid is, maar dat echtscheidingen consequenties hebben voor de volgende generaties en voor het functioneren van het onderwijs, een van de belangrijkste instituties van moderne samenlevingen. Kinderen zouden daarom een zware stem behoren te hebben in het al dan niet ontbinden van de relatie van hun ouders. Dit zou verder moeten gaan dan dat ze zelf bepalen bij wie ze wonen en hoe vaak ze de ander bezoeken.

Uiteraard is de realisatie van het principe van een dergelijke zware stem van kinderen erg moeilijk, juist door het gevaar van juridisering en bureaucratisering. Het betekent alvast dat flitsscheidingen of het snel ontbinden van samenlevingscontracten niet mogelijk zouden moeten zijn als er kinderen bij betrokken zijn. Een wettelijke afkoelingsperiode van een jaar bij dergelijke scheidingen met kinderen, waardoor partners de tijd en de mogelijkheid voor bezinning en verzoening krijgen, zou verplicht moeten zijn.

Dit betekent niet dat men de mogelijkheid tot scheiding zou moeten afschaffen, maar een versterking van huwelijks- en samenlevingscontracten door betere wetgeving – aanscherping van de gronden voor het verbreken van de relatie, een afkoelingsperiode, versterken van verzoeningsmogelijkheden, een zwaardere stem van kinderen – zou de kans op het in stand houden van relaties kunnen vergroten, in het belang van volgende generaties en de samenleving.

Jaap Dronkers is hoogleraar ‘International comparative research on educational performance and social inequality’ aan de Universiteit Maastricht. Dit is een ingekorte versie van het artikel Eenoudergezinnen en onderwijsprestaties vanuit een vergelijkend perspectief van M. de Lange, J. Dronkers en M. Wolbers, dat zal verschijnen in Socialisme & Democratie (december 2011).