Ook rasverkoper slijt Saab niet

et nieuws kwam, zoals dat heet, toch nog onverwacht. Een Zweedse rechtbank heeft de Zweedse automobielfabriek Saab gisteren failliet verklaard. Het ging al een tijdje niet meer zo goed. Maar met de beslissing van de rechtbank is opnieuw vastgesteld wat meer dan een jaar geleden al was vastgesteld: Saab is in zijn huidige vorm economisch niet levensvatbaar.

Het bankroet van het iconische merk heeft een Nederlander in de hoofdrol. Vorig jaar was het de Nederlandse financier Victor Muller die met kunst- en vliegwerk en met een overrompelende overredingskracht het bedrijf nieuw leven wilde inblazen.

De Amerikaanse eigenaar, General Motors, had het toen al opgegeven. Muller, een niet zo bescheiden ondernemer met een bescheiden luxesportwagenfabriek, wist banken, bevriende investeerders, beleggers, de Zweedse overheid, de Europese Investeringsbank, General Motors, de vakbonden en medewerkers van Saab te overtuigen dat zijn plannen levensvatbaar waren. Het was te mooi om waar te zijn en zoals dat gaat met dingen die te mooi zijn om waar te zijn: zij zijn ook niet waar.

De Zweedse overheid, die garant staat voor een deel van de kredieten van Saab, heeft de les nu wel geleerd: het is zinloos onrendabele activiteiten te steunen vanuit liefde voor een icoon. Saab had wel veel fans, maar verkocht te weinig auto’s. En kreeg te weinig nieuwe fans, had daardoor bijna voortdurend te weinig geld om leveranciers te betalen, laat staan om te innoveren. De productie kwam stil te liggen en door het gebrek aan continuïteit in de levering van auto’s, onderdelen en service werd een Saab onverkoopbaar. Ook een serie Chinese investeerders kon geen soelaas bieden.

Ondernemende financiers als Muller zijn voor de economie, het bedrijfsleven én de media het zout in de pap. Waaghalzen die iets nieuws durven te beginnen. Vechters die doorgaan waar anderen stoppen. Er gaat een soms bedwelmende aantrekkingskracht van hen uit. De perspectieven en winsten die zij voorspiegelen willen de meer dan gemiddelde risico’s nog wel eens overschaduwen. Zij zijn eeuwige optimisten.

Particuliere beleggers moeten daarbij hun eigen afweging maken. Voor overheden die betrokken raken bij zulke projecten, is het dubbel oppassen. Het ‘redden’ van banen is verleidelijk, maar het leergeld is meestal hoog. Lokale en centrale overheden moeten de sceptische bril opzetten als het gaat om het gebruiken van overheidsgeld voor landelijke of lokale iconen. Of dat nu dierenparken, voetbalclubs, muziekcentra, lokale vervoerders of autofabrieken zijn.