Met roze sopje een slecht imago te lijf

Israël kampt met een imagoprobleem.

‘Pinkwashing’ moet dat veranderen, maar met homorechten is het in Israël niet best gesteld.

Israeli lesbians wave the "rainbow" gay flag during a gay parade in Jerusalem June 7, 2002. Hundreds of Israelis have attended the first gay parade to take place in the city on Friday. REUTERS/Yannis Behrakis YB/FMS REUTERS

„Israël is een democratisch land in een heel ondemocratische regio.” Dat vertelde de Israëlische minister van Onderwijs vorige week aan een dertigtal buitenlandse homoactivisten tijdens een bijeenkomst in Tel Aviv die was georganiseerd op kosten van Israëlische lokale en nationale overheden.

Wij vechten tegen homofobie, luidde de boodschap van minister Gideon Saar. Anders dan landen als Iran, waar homoseksuelen worden vervolgd. Nee, dan Israël: liberaal, progressief en tolerant.

Het is een klassiek staaltje pinkwashing, zoals dat wordt genoemd door critici. Een van hen is Aeyal Gross, universitair docent rechten aan de universiteit van Tel Aviv: „Israël gebruikt homorechten als vijgeblad voor gebreken in de Israëlische democratie en mensenrechtenschendingen door Israël.” Die worden weggewassen met een roze sopje, is de gedachte.

Zo suggereerde premier Netanyahu vorig jaar, na de entering van een vloot van buitenlandse activisten die probeerden de Israëlische blokkade van de Gazastrook te breken, dat ze beter konden doorvaren naar plekken waar homoseksuelen worden opgehangen dan Israël te kritiseren.

Het thema homo-emancipatie is een belangrijk onderdeel van de brede propagandacampagne die sinds 2005 poogt het imago van Israël te verbeteren. De gemeente Tel Aviv begon vorig jaar een pr-campagne om de stad te promoten als homovakantiebestemming. Kosten: bijna 70 miljoen euro.

Het imago van Israël is slecht door (onder andere) de aanhoudende bezetting van de Westelijke Jordaanoever, het beleg van Gaza, de bouw in nederzettingen in Oost-Jeruzalem, de publieke segregatie van vrouwen door de ultra-orthodoxe gemeenschap en wetsvoorstellen die de bewegingsruimte van mensenrechtenorganisaties, rechtbanken en media beogen in te perken.

Met de homorechten is het echter ook niet best gesteld, aldus Gross. „Homo’s kunnen niet trouwen. De adoptiewetgeving discrimineert. Transseksuelen worden pas erkend als ze een volledige geslachtsverandering ondergaan. En verworvenheden als erfrecht hebben we tot aan de hoogste rechter moeten bevechten, terwijl de regering het doet voorkomen alsof het ons komt aanwaaien.”

Maar, zegt Gross, „Tel Aviv is homovriendelijk en Israël is niet homofoob”. Al zijn daar volgens Gross ook kanttekeningen bij te plaatsen. Na de moord op twee homoseksuele jongeren in Tel Aviv in 2005 wees een peiling uit dat de helft van de Israëlische bevolking homoseksualiteit een perversie vindt. Vorige maand nog werd een homostel aangevallen in een park in Tel Aviv. In Jeruzalem gaan stellen niet hand in hand over straat uit angst voor geweld van de ultra-orthodoxe gemeenschap.

„En toch is Israël voor homo’s een betere plek dan de Palestijnse gebieden”, zegt Gross. Wat hem stoort aan het debat over pinkwashing, zegt hij, is dat de Palestijnen die Israël beschuldigen van deze praktijk homofobie in de Arabische wereld bagatelliseren. Veel liever, zegt Gross, zou hij samen met hen homofobie bestrijden.

Onmogelijk, zegt Haneen Maikey, van de Palestijnse homo-organisatie Al-Qaws (de regenboog) in Jeruzalem. Samen met de groep Palestijnse Homo’s voor Boycot, Desinvestering en Sancties riep zij op tot een boycot van Israël.

En met succes. De algemene vergadering van de internationale organisatie van homoseksuele jongeren (IGLYO) werd dit najaar niet in Tel Aviv gehouden, maar in Amsterdam.

Je kunt niet strijden voor mensenrechten en de bezetting negeren, zegt Maikey. „Hoe kunnen wij samenwerken met Israëlische homogroepen die samenwerken met het leger dat onze mensen onderdrukt? Het kan mij niet schelen of een Israëlische soldaat homo is of niet. Hij moet van ons afblijven. Onze strijd is politiek en onderdeel van de Palestijnse strijd tegen de bezetting.”

Bij de internationale bijeenkomst die de Israëlische homorganisatie IGY vorige week in Tel Aviv organiseerde, werd de bezetting wel – als kritische noot – aangestipt. „En dat is nou precies pinkwashing”, zegt Maikey. „De bezetting komt ter sprake, God, wat is Israël toch liberaal. Je moest eens weten hoe vaak ik word uitgenodigd om op kosten van de Israëlische regering te komen praten. Ik vertik het. Als homo ben ik welkom, terwijl ik als Palestijn word gediscrimineerd.”

Voelt Maikey geen aandrang om de Israëlische regering publiekelijk tegen te spreken? „Ik loop niet in de val dat ik Israëlische homorechten met Palestijnse moet gaan vergelijken. Het is onvergelijkbaar. Israël is een grootmacht. En de bezetting werkt de Palestijnse homo-emancipatie tegen. Wij leven in een ongezonde samenleving waarin we ons niet kunnen ontwikkelen, niet vrij kunnen bewegen.”

De Israëlische minister van Onderwijs sprak zich afgelopen dinsdag uit voor joodse nederzettingen in bezet gebied en tegen een Palestijnse staat. Zijn standpunt is precies tegengesteld aan dat van de internationale gemeenschap. Toch sprak minister Saar buitenlandse homoactivisten vorige week toe over gedeelde waarden als openheid en tolerantie.

„We worden absoluut gebruikt door de regering”, zegt Amit Lev, die de top van de Israëlische IGY organiseerde. „Dat is vervelend. Bovendien ben ik tegen de bezetting. Maar de minister sprak slechts vijf minuten en zonder zijn geld had ik nooit een deelnemer uit Maleisië hierheen kunnen halen.” Daarbij is het volgens Lev belangrijk dat de Staat homo’s openlijk steunt. „Dat helpt jongeren uit de kast te komen.”

Heeft Lev het gevoel dat de steun oprecht is? „Matig. Deze regering is niet erg homovriendelijk. Ze geven geld, maar doen geen enkele moeite voor onze rechten. Maar de minister van Onderwijs voelt wel oprecht. Hij is vaker bij ons op bezoek geweest en heeft niks tegen homo’s. Zolang ze joods zijn.”