J a z z van taal

Tonnus Oosterhoff, ooit schrijver van verhalen voor bladen als Mijn geheim en Intiem, maakt ongrijpbare poëzie die de lezer op avontuur stuurt. Betekenissenmuziek, noemt hij het zelf.

Nederland - Klein-Ulsda- ( Groningen ) 20-12-2011 Tonnes Oosterhoff, winnaar van de PC Hoofdprijs. Foto: Sake Elzinga

Dat Tonnus Oosterhoff gelauwerd zou worden met de hoogste literaire onderscheiding, de P.C. Hooft-prijs, was een kwestie van tijd. Vanaf zijn debuut in 1990 is zijn gang als dichter besprenkeld met literaire prijzen en laaiend enthousiaste kritieken. Critici en jury prezen onder veel meer de durf, de eigenheid, de humor en de levendigheid van zijn poëzie. Met zijn vierde bundel, Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen, uitgebracht in 2002, plaatste Oosterhoff zich onder de grote vernieuwers van de Nederlandse poëzie.

Het is een bundel die je met verbazing leest. Beweging was al een trefwoord voor de stijl van Oosterhoff (Leiden, 1955), maar in deze bundel breekt hij in op de leesletter met doorhalingen, meegedrukte handgeschreven zinnen en met tekst in afwijkend lettercorps en in grijstinten. Een cd-rom met bewegende gedichten vervolmaakt zijn wens jazz te maken van taal.

Op papier is die wens zichtbaar aan een grote afwisseling van vormen, technieken en aanpak. Hij schrijft lange gedichten waarin hij meerdere verhaallijnen door elkaar vlecht, korte directe gedichten, dialogen en gedichten waarin woorden in veel eenzaam wit zijn geplaatst. Hij wil kunnen wat Leopold kon, formuleren als Lucebert formuleerde. Soms zijn de gedichten gesloten taalwerkjes die elke vorm van begrip uitsluiten, soms ontroerende ‘bekentenissen’ die je in je hart raken, maar vreemd en bijzonder gezegd zijn ze altijd. In de poëzie van Oosterhoff ben je als lezer steeds op avontuur.

Eenzaamheid, liefde, kwetsbaarheid, dichterschap en sterfelijkheid zijn terugkerende motieven, als je dat bij zulke ongrijpbare poëzie kan zeggen. Oosterhoff kan heel somber klinken, maar de zelfspot steekt vaak door de laconieke formulering heen.

In het gedicht ‘Bezoek aan gelegenheid’ staan regels als ‘Ik ben niet aantrekkelijk.’ En ‘Niemand wil Eenoog/ vierend zien knielen. Niemand gelooft/ in de kat met de zeven staarten.’ Waarna het gedicht besluit met: ‘Het probleem is: ik ontglip./ Aan jou ligt het niet, liefste./ Jij hebt niet meer moeite van me te houden/ dan heel de wereld.’ Zelfkastijding en spot gaan gelijk op met de troost voor een liefste die zich zijn ontglippen kwalijk neemt.

Om ritme en melodie te krijgen, maakt Oosterhoff, die ook romancier en essayist is, veel gebruik van afwisseling van stemmen. Dan zit er in het gedicht iemand die ‘wat zeg je?’ vraagt, of ‘ik niet’ zegt. In een interview voorafgaand aan de verschijning van Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen zei hij: „Een mooi woord dat ik vaak voor mezelf gebruik, en dat ik geloof ik zelf heb bedacht, is betekenissenmuziek. Al de zintuigen komen samen op een bladzijde. Ondertussen blijven het betekenissen. De zinnen zijn ook beweringen.”

Dicht bij zijn ideaal kwam hij door bewegende gedichten in Flash te schrijven op zijn site – en op een cd-rom bij Wij zagen ons. Woorden en zinnen komen op en vervagen weer, worden vervangen door andere of trekken kalmpjes voorbij. Deze instabiele gedichten zonder houvast brengen de lezer waar de dichter hem wil hebben: ver van zijn ‘arm interpreterend brein’ (zoals Oosterhoff het noemt).

Oosterhoff leeft teruggetrokken in een dorpje op het Groningse platteland, terwijl zijn vrouw en kind in Amsterdam wonen. Zijn huis staat dicht bij een rivier, waar hij nog in functie was als reservebrugwachter. Tijdens hetzelfde interview, in zijn Spartaans ingericht huis, zei hij ook: „Ik heb wel eens gedacht als ik hier over de rivier uitkeek, naar het landschap dat verder geen betekenis heeft: het mooiste zou zijn als ik alleen maar streepjes en rondjes gebruikte. Zodat een gedicht puur structuur wordt. Als je naar Bach luistert, heb je nooit het gevoel dat je er niets van snapt. Dan hoeft die knop die wil begrijpen niet aan. Dat vervuilt maar. Poëzie is een vuile kunst.”

In het gedicht ‘Hersenmutor’ schreef hij: ‘Het is zo geplekt, poëzie.’ Geplekt betekent vervuild, maar het wijst ook op stilstand, op één plek blijven, en op stremming van de fantasie, de taal. In dezelfde strofe stond: ‘Voor een gedicht moet je eigenlijk met zijn vijven zijn.’ Dat is wat hij doet, praten voor vijf, in een verknoping van gedachten.

Oosterhoff studeerde Nederlands en psychologie en werkte enige tijd als onderwijspsycholoog in Utrecht. Zijn droom was om aan de universiteit onderzoek te doen naar denkprocessen en taalpsychologie. In plaats daarvan raakte hij in de tekstschrijverij: hij redigeerde teksten en schreef verhalen voor damesbladen als Mijn geheim, Intiem en Anoniem. Het zal voor het eerst zijn dat uit de rijen van die anonieme auteurs zich iemand opwerkt tot de hoogste literaire top.

Zijn belangstelling voor de psychologie van taal laat zich eenvoudig aflezen aan zijn werk, bijvoorbeeld in een begrip als ‘hersenmutor’, dat ook de titel werd van zijn verzameld werk in 2005. ‘Hersenmutor maakt spelen van spellen’, is een regel uit het gelijknamige gedicht. De mutor is als een ziekte, een tumor, maar ook een apparaat, een motor, of zelfstandige, menselijke kracht. In de koppeling van beide openbaart zich zijn angst om niet meer te kunnen schrijven, waarnaar hij verwijst in Ware Grootte, uit 2008 en zijn vijfde bundel, naar het infarct dat Max Pam trof: ‘Het ei in de magnetron/ (tikt op de kersenpit) even fout ingesteld… en pang’. Dat leidt tot visoenen als: ‘Van een paard dat gras eet veranderd/ in een paard dat hooi likt.’

Hoe werkt de mutor? Zo misschien: ‘Druk ik de pen op papier, dan wijkt de geest’, begint een gedicht in Ware grootte. Vanaf dat moment mogen alle woorden, verbasteringen, associaties en herinneringen zijn hoofd binnendansen en -springen. In die vrijheid ontstaan regels als: ‘Alles wat ademtrapt waterhaalt’.

Bij collega’s geniet Oosterhoff buitengewoon veel aanzien, maar goed verkocht wordt zijn werk niet. Geen van de bundels kreeg een herdruk. In zijn dit najaar verschenen zesde bundel Leegte lacht grapt hij over ‘twaalf lezers, je veertien belachelijke lezers’ en hij spreekt zichzelf toe: ‘Je bent vergeefs op aarde, bourgeois dichter, je leeft voor niets/ met je argwanend gemompel. Omdat niemand luistert meen/ jij dat je respect verdient.’ En harder nog: ‘Overbodig zijn, boventallig, overtollig zijn/ en dit weten en toch leven, een buikje hebben.’

Maar deze zinnen staan in een gedicht dat opent met een plechtig statement: ‘De dichters storten zich namens de mensen/ in donkere wateren: er is daar iets/ ondragelijks dat gedragen moet.’ De grimlachende dichter ontglipt. Wat de lezer kan helpen, is meeveren als hij zijn betekenissenorkestje aanvuurt: ervaar het ritme, voel de melodie.

Zoals de titel doet vermoeden is de sfeer in die jongste bundel grimmiger, onbarmhartiger, donkerder en tegen het wanhopige aan. Oosterhoff schrijft: ‘Lucht! Buitenlucht! (…) Eeuwige merel, waar ben je?/ Kribbigheid, hete wangen, afnemende levenskracht.’ Troost bieden herinneringen. ‘1976 Maggi MacNeal blond, bleek.’ En na een wirwar van gekunstelde beweringen en verworpen wijsheden over herinneren en ervaren stelt de dichter: ‘Maak een prop van deze beelden, gooi hem weg’. Meteen daarop laat hij één herinnering terugkeren, ‘als een boemerang’, aan een tennisster met zwarte krullen, Wimbledon winnend: ‘Evonne Goolagong. De volmaakte gang.’

Zulke weemoed en meer ziekte, dood, angst voor vergetelheid en nutteloosheid doen in deze gedichten een werveldans. De dichter is als de haai die een radio heeft ingeslikt. ‘In elke baai die hij aandeed zong/ haai noodzakelijk de liedjes van het land./ Als hij niet gezonken is wordt hij/ door het leven nog voortgeroeid.’

Mocht de jury nog aarzelingen hebben gekend, dan heeft de kracht van Leegte lacht ongetwijfeld het laatste zetje gegeven. Het was een kwestie van tijd. Al in 2005 hield Thomas Vaessens, als toenmalig jurylid van de P.C. Hooft-prijs een „referaat van een kwartier” voor de bekroning van Oosterhoff. Zes jaar later is de dichter ‘nog maar’ 58 jaar, en op de top van zijn kunnen. De P.C. Hooft-prijs gaat naar een dichter die hem verdient.

Ron Rijghard