Crèches, die waren nog niet nodig

Dertig, veertig jaar geleden kon je lang studeren. Veel moeders bleven thuis bij de kinderen, al hadden sommigen een oppas aan huis. Nu past oma op haar enige vrije dag op haar kleinkind.

gouda babyboomers de vuijk family foto rien zilvold

Pim Mul en Irene Vuijk komen uit echte babyboomgezinnen. Zij is geboren in 1955, als achtste van negen kinderen. Hij is geboren in 1959, als jongste van tien. Ze wonen in de binnenstad van Gouda, in een huurhuis. Ze zijn 33 jaar bij elkaar.

Vandaag discussiëren Irene (56) en Pim (52) met hun oudste dochter Nina en haar vriend Arnoud (beiden 29) over werken en zorgen. Hoe zij dat vroeger deden en hoe dat nu gaat.

Nina werkt op een dagbehandeling voor kleuters met probleemgedrag. Ze woont een paar straten verderop samen met Arnoud, in een klein koopappartement. Drie maanden geleden kregen ze Cas, die bij zijn oma op schoot ligt. Hij heeft darmkrampjes.

Irene: „Ik kreeg Nina in mijn propedeuse. Na wat uitzendbaantjes heb ik een tijdje gereisd in de USA. Mijn vader wilde geen studie betalen. Op mijn 27ste kon ik studiefinanciering krijgen. Dat was toen de regeling, bij weigerouders. Toen ben ik rechten gaan studeren in Rotterdam.”

Nina: „Nu moet je voor je 27ste afgestudeerd zijn, anders krijg je niets.”

Irene: „Al gauw kreeg ik ook een baantje op de universiteit. Pim nam de zorgtaken voor Nina over. Dat ging bijna vanzelf hè? Jij deed een thuisstudie.”

Pim: „Jouw opleiding tot jurist leek meer perspectief te bieden op de arbeidsmarkt dan die van mij tot fotograaf. Een kwestie van nuchter je verstand gebruiken.”

Irene: „Op het consultatiebureau zeiden ze: hé, we zien ook eens een papa!”

Pim: „Nina kreeg ook wel eens de vraag of ze met haar grote broer op stap was.”

Irene: „Af en toe ging ze een paar uurtjes naar de peuterspeelzaal. Waren er crèches, Pim? Kenden wij mensen die hun kinderen naar de opvang brachten?”

Pim: „Ik weet niet of dat al bestond.”

Irene: „Begin jaren tachtig was het nog behoorlijk normaal dat vrouwen niet werkten.”

Pim: „Nou, het was niet zo dat iedereen thuiszat. Zeker niet in die feministische tijd.”

Nina: „In mijn klas hadden de meesten hun moeder thuis. Of zo’n oudere alleenstaande vrouw aan huis.”

Irene: „Je hebt gelijk, oppas aan huis was meer de trend. Ik denk voor een groot deel zwart – vijf piek per uur.”

Nina: „Ik heb nooit van mijn leven een oppas gehad. Toen ik op de basisschool zat, deed jij alleen vrijwilligerswerk, toch? Maar wel veel.”

Irene: „Heel veel. Meer dan veertig uur. En mensen hingen ook op zondag aan de lijn.”

Pim: „In die jaren was mijn werk zo druk dat ik bijna nooit thuis was. Ik ben in de jaren tachtig voor mezelf begonnen en fotografeerde veel voor de Goudsche Courant, die later is opgegaan in het Algemeen Dagblad.”

Irene: „Toen kwam Emma. Emma was een cadeautje.” Emma is de nu dertienjarige zus van Nina.

Pim: „Dat verwacht je niet meer op je 42ste.”

Nina: „Nou ma… Je eerste reactie was wel: Nee! Kinderfeestjes! Zwemles! Avondvierdaagse! Maar met drie volwassenen in huis was er altijd wel iemand om voor haar te zorgen. Emma heeft één keer oppas gehad.”

Irene: „Toen ze drie was, ben ik vier dagen gaan werken bij een bureau voor rechtshulp. Als ik avondspreekuur had, deed jij haar in bed.”

Nina: „Dan kreeg ik extra kleedgeld.”

Irene: „Ze ging zes dagdelen naar de crèche.”

Nina: „Dat was wel modern. Ik kan voor Cas geen dagdelen krijgen. Je moet ten minste twee hele dagen afnemen.”

Arnoud: „En ze hadden ook niet de dagen die wij nodig hadden.”

Nina: „Alleen op een locatie aan de andere kant van de stad.”

Irene: „Ons inkomen was te hoog om voor een vergoeding in aanmerking te komen. Later met de buitenschoolse opvang werd het bizar. Toen hadden we een behoorlijk inkomen, maar kregen we bijna alles vergoed.”

Nina: „Dat gaan ze nu terugdraaien. En het wordt inkomensafhankelijk.”

Irene: „Dat was het toen ook. Maar de overheid wilde het gewoon heel erg stimuleren. Ik vond het een beetje raar. Gênant bijna.”

Nina: „Mijn moeder gaat ’s woensdags op Cas passen als ik weer ga werken. Heel lief, want het is haar enige vrije dag. Ze had wel ooit gezegd dat ze wilde oppassen als ik ooit kinderen zou krijgen. Maar ik vond het toch moeilijk om te vragen, het is nogal wat.”

Arnoud: „Ze heeft het aangeboden, maar jij stond op het punt om het te vragen.”

Irene: „Mijn ouders waren niet betrokken bij de zorg voor Nina. Mijn moeder is al op 58-jarige leeftijd overleden. Nina heeft bij mijn vader op schoot gezeten, maar daar hield het mee op. ”

Pim: „Mijn ouders hadden allebei een hartkwaal. Ze hebben hun kleinkinderen wel meegenomen op uitjes, maar niet voor hen gezorgd. Toen de eerste kleinkinderen kwamen, hadden ze zelf nog kleine kinderen. Ik werd al oom toen ik een jaar of 8 was.”

Irene: „Ik kan me één keer herinneren dat jouw ouders voor hun kleinkinderen hebben gezorgd.”

Pim: „Dat je je dat herinnert, zegt genoeg.”

Irene: „Mijn vader is 90 geworden. Een tijdje was hij iedere middag bij ons. Dan zat hij kruiswoordpuzzels te maken.”

Nina: „Hij woonde bij ons om de hoek.”

Irene: „Hij at ook mee. Soms wilde hij Indonesisch eten. Dan ging ik dat halen, van zijn centjes. Lekker hoor. Wij hadden het niet breed. Hij had met zijn eigen boekhoudkantoor een voorraadje aangelegd. Het geld raakte wel op toen hij in een verzorgingshuis kwam. Je moest je eigen vermogen opeten. Dat is nu niet meer.”

Pim: „Wel terecht dat dat weer terugkomt.”

Nina: „Ga maar sparen jullie.”

Pim: „Júllie!”

Arnoud is pas afgestudeerd als piloot, maar heeft nog geen baan in de luchtvaart. Hij werkt nu fulltime bij een energiemaatschappij.

Arnoud: „De zorg voor Cas heeft Nina op zich genomen.”

Nina: „Of we het daar nou echt over hebben gehad… Bij jou is het niet gangbaar om in deeltijd te werken. En ik was van dertig collega’s de enige die fulltime werkte. Ze gingen er al vanuit dat ik naar drie dagen zou gaan. Als je niet de pilotenopleiding had gedaan, hadden we het financieel makkelijker gehad en misschien wel gezegd: ik drie dagen, jij vier. Maar die opleiding kostte een ton.”

Arnoud: „Als piloot werk je tien dagen op, tien af. Dan ben je wel veel thuis. Bij sommige maatschappijen is het ook voorspelbaar wanneer je thuis bent.”

Nina: „Jij bent echt een leukedingenpapa.”

Arnoud: „Ondersteunend hè. Aan het einde van de dag taken overnemen. En samen naar Schiphol en zo.”

Nina: „We hebben geen hulp. De werkster van zijn ouders heeft in de kraamtijd één keer ons huis gedaan. In twee uur had ze het aan de kant. Ik dacht: nou, dat zou ik wel vaker willen.”

Arnoud zwijgt.

Nina: „Als ik nu eindelijk op de bank zit, denk ik vaak toch: ik moet dit of dat nog doen.”

Arnoud zwijgt.

Nina: „Wacht maar, ik zal jou eens een hele dag met hem alleen laten.”

Cas geeft zachte kreuntjes.

Irene: „Het zit echt dwars bij hem.”

De speen valt. Arnoud staat op, raapt hem op, veegt hem schoon en doet hem weer in Cas’ mondje. Nina rommelt in een babytas en geeft Cas wat homeopathische druppeltjes.

Nina: „Of het echt helpt, daar heb ik mijn bedenkingen bij.”

Arnoud: „Maar hij vindt het wel lekker.”

Joke Mat

    • Joke Mat