Opzichtige kandelaars in donkere dagen

Rascha Peper trotseert met een inktzwarte bui de kerstmania voor een snoer lampjes.

Op de kerstafdeling van De Bijenkorf is het zo druk alsof het morgen al Kerstmis is. Tegenwoordig breekt de kerstmania begin november uit en gaat rond 23 december de kerstversiering in de uitverkoop.

In mijn kinderjaren tuigden we pas kort voor Kerst de boom op en ik kan me niet heugen dat er ooit iets nieuws in die boom kwam (alles was er al), laat staan dat er van trends sprake was.

Nu kun je ‘jouw eigen Kerst’ in roze, mint, zwart of petrol verwezenlijken en ook kerstballen breien in Noorse motieven schijnt in zwang te zijn. Het is dat ik iemand beloofd heb een speciaal snoer lampjes te kopen, maar het is niet verstandig van me hier vandaag rond te lopen; ik ben namelijk in een inktzwarte bui. De reden daarvoor doet er niet veel toe, er zijn nu eenmaal van die dagen dat je een flink deel van de mensheid het liefst in een met spijkers beslagen vat een helling ziet afrollen en jezelf eenzaam op de Mookerhei wenst. Geen gemoedsgesteldheid die de versierlust bevordert en je met milde blik houten rendieren en zilveren engelen doet beschouwen. Mensen om me heen die wel in een gezellige stemming zijn zoeken geanimeerd glimmende prulletjes uit, maar ik zie alleen maar holle commercie: treurige lifestyle-ornamentiek en patserige bling-bling. Zelfs mijn favoriete versiersels, de vogeltjes die je met een knijpertje op een tak klemt, hebben allemaal domme of regelrecht gemene koppen en kitscherige pronkstaarten. Nogmaals: ik moet zorgen dat ik hier wegkom, maar een kenmerk van dit soort morositeit is dat zij zelfbevestiging zoekt, met als gevolg dat je in je eigen chagrijn komt te zwelgen, dus als ik de lampjes gevonden heb, blijf ik, helemaal verkeerd, nog even rondhangen.

„Mag ik u iets vragen, mevrouw?” zegt iemand tegen me.

Naast me staat een gezette vijftiger met glimmende, rode wangen en een kaal hoofd met nog net genoeg haar om er een lage scheiding in te kunnen trekken en een lange, vettige streng naar de andere kant te leiden. Hij draagt het soort loden jagersjas dat je in de jaren zeventig soms nog zag.

„Zeker.”

„Vindt u dat een mooie kandelaar?” Hij wijst naar het opzichtigste driearmige gedrocht dat ik ooit gezien heb: een met nep-Swarovskisteentjes beplakt geval met blikkerende hangpegels.

„Niet direct”, zeg ik. Hoe zwartluimig ik ook mag wezen, mijn beleefdheid is onuitroeibaar.

„Ik vraag het omdat ik een cadeau voor mijn zuster moet kopen”, zegt hij trouwhartig. „Ik heb niet zoveel kijk op die dingen, maar u lijkt nogal op haar. Dus ik denk: eens horen wat die mevrouw ervan vindt.” Zijn wangen trillen terwijl hij praat.

„Deze zou ik niet nemen. Die flonkert wel heel erg.”

„O, van geflonker houdt ze wel. Ze draagt ook altijd van dat soort oorbellen.” Hij wijst naar mijn oren.

„Dit is mat zilver”, zeg ik afgemeten.

„Ja, maar dat bungelige, bedoel ik.”

„Als u er een voor drie kaarsen wilt, dan deze misschien.”

„Die is zo strak, zo modern. Zij is meer eh... het barokke type.”

Dan moet hij nog maar even rondkijken, zeg ik, die dáár is ook heel aardig, en ik vlucht.

Maar amper sta ik bij de kassa of hij komt achter me staan met de laatst aangewezen kandelaar in de hand en zegt dat ik hem misschien brutaal zal vinden, maar mag hij me in ruil voor mijn vriendelijke raad een kop koffie aanbieden?

Mijn god, uitgerekend de laatste jagersjasdrager van Nederland valt op me! Omdat ik een barok type met bungeloorbellen ben.

Helaas heb ik geen tijd. Zo laat ik de laatste kans om er een vrolijke dag van te maken aan me voorbijgaan. Met dank aan de zwartgalligheid.

    • Rascha Peper