Onnodig somber over sport

Guus van Holland overdrijft als hij zegt dat het slecht gaat met de sportjournalistiek. We worden juist bedolven onder de sport, stelt Auke Kok.

Is het werkelijk zo slecht gesteld met de vaderlandse sportjournalistiek als Guus van Holland beweert (NRC Handelsblad, 16 december)? Als we het stuk van de afzwaaiende NRC-redacteur mogen geloven, is zijn beroepsgroep bezig af te dalen naar het niveau van zielloze, slecht ingevoerde meelopers. De werkelijkheid zit wat genuanceerder in elkaar, om niet te zeggen: totaal anders.

Natuurlijk, het is mogelijk dat het gemiddelde sportverslag meer zwier kan gebruiken. Dit heeft het sportverslag dan gemeen met de gemiddelde politieke, economische en culturele reportage. Ook de parlementaire verslaggeving getuigt niet altijd van „historisch besef, inzicht, deskundigheid en nieuwsgierigheid, gestuurd door altijd geopende zintuigen” – van de romantische (en terechte!) idealen van Van Holland.

Over de hele linie mag het meeslepender, ongetwijfeld, maar om te beweren dat sportjournalisten nergens nog goede sier kunnen maken met passie en deskundigheid, omdat iedereen uitsluitend is geïnteresseerd in incidenten, gaat wat ver. Kijk eens wat er alleen al is veranderd in het jongste decennium. Behalve literaire tijdschriften over voetbal en wielrennen kwamen er twee prijzen voor sportjournalistiek, die jaarlijks veel aandacht krijgen. Belangrijk sportnieuws belandt in veel kranten ruimschoots op nieuwspagina’s. Nieuwsbulletins op radio en tv en praatprogramma’s bevatten veel meer sport dan vroeger. Behalve de aloude registraties van wedstrijden brengt de NOS elke winter een serie historische sportdocumentaires met de liefde en het vakmanschap waarvan Van Holland zo houdt. De bestuurscrisis bij Ajax wordt al maanden behandeld alsof het de eurocrisis betreft.

Al deze ontwikkelingen – en het is maar een greep – illustreren dat sport meer aandacht krijgt dan voorheen. Ondanks de hypes, die je in de sport net zo goed ziet als in andere sectoren, gaat de meeste aandacht uit naar de helden en hun prestaties.

In plaats van het toe te juichen dat de Fontys Hogeschool Journalistiek dit jaar een cursus voetbaljournalistiek organiseert, weet Van Holland nu al dat de inspanningen van de studenten vergeefs zullen zijn. Die arme jongens en meisjes zullen straks op jacht moeten naar „achterklap, rellen en randnieuws”, daartoe aangemoedigd door hoofdredacteuren, die „voorbijgaan aan de specifieke kennis van echte sportjournalisten”. Het merkwaardige is dat die hoofdredacteuren de sport almaar meer ruimte geven in hun kranten en tijdschriften. Van het weekblad Voetbal International – dat voornoemde cursus mede verzorgt – kun je veel zeggen, maar niet dat de „opwinding buiten de arena” er tot „hoofdzaak wordt verheven”. Integendeel, VI is een inhoudelijke journalistieke diesel. Dat was al zo voordat Van Holland sportjournalist werd en dat is nog steeds zo.

Tijdens zijn 37-jarige loopbaan heeft zijn vak een formidabele emancipatie doorgemaakt. Toen Van Holland zijn carrière begon, midden jaren zeventig, had de ontwikkelde Nederlander die van sport hield iets uit te leggen. Tegenwoordig is het bijna andersom. Vooral voetbal is zodanig uitgegroeid tot een nationale hobby dat degene die er niets van afweet, of wil weten, zich moet verantwoorden. Gezien de ontwikkelingen van de laatste decennia zal het mediabombardement de komende zomer, tijdens de Olympische Spelen en het EK voetbal, waarschijnlijk nog heviger zijn dan tijdens vorige ‘sportzomers’. Wie daarmee niets van doen wil hebben, ziet zich haast gedwongen maandenlang in bed te blijven met een kussen op zijn hoofd, wat ook niet de bedoeling kan zijn.

Het wordt nog gekker als je bedenkt dat Guus van Holland hoogstpersoonlijk heeft bijgedragen aan de hier geschetste gelijkschakeling. Als iemand in de jaren tachtig mooie wielerverhalen schreef, dan was hij het wel, nota bene in de sportief gezien soms nogal zurige Volkskrant. Het waren wielerverhalen vol leed en passie, om kippenvel van te krijgen. Later mocht hij zes jaar lang, in zijn hoedanigheid van chef sport bij NRC Handelsblad, talenten opleiden in de door hem gewenste richting.

In zijn toespraak in de Rode Hoed in Amsterdam, waarvan zijn stuk op de opiniepagina een weergave was, memoreerde Van Holland het kippenvel dat hij kreeg bij het lezen van vooral Amerikaanse sportliteratuur. Schrijven als Hunter S. Thompson en Norman Mailer was zijn „droom”. Het was zijn ware liefde om zich te verdiepen in een sporter of team en dan verslag te doen met een grondige feitenkennis en verbeeldingskracht.

Welnu, Van Holland is niet dood. Hij zag er zelfs heel gezond uit – tijd genoeg om aan te slag te gaan. In plaats van te somberen over vroeger, toen alles beter was, zou Van Holland een mooi onderwerp kunnen bedenken voor een sportboek in de traditie van David Remnick en John Feinstein. Het aantal uitgevers dat daar enthousiast op zal reageren, is veel groter dan in de tijd dat de jonge Guus begon te dromen van grootse daden. Het aantal sportboeken in Nederland is explosief gestegen. Voor „de taal van lichamen die tot het uiterste worden gespannen” zal alle ruimte zijn. Er is nogal wat verbeterd sinds de jaren zeventig – mede dankzij Guus van Holland.

Auke Kok is journalist en schrijver van het bekroonde sportboek 1974, Wij waren de besten. Dit is een reactie op de lezing die Guus van Holland op 15 december uitsprak tijdens zijn afscheid als sportredacteur van NRC Handelsblad.

    • Auke Kok