Kaapverdische ster zong over haar pijn

Met haar liedjes van weemoed en verlangen werd ze de bekendste vertolkster van de Kaapverdische blues, altijd blootsvoets gezongen.

Cape Verde singer Cesaria Evora performs in Lisbon in this July 2, 2006 file photo. Cape Verde's culture minister announced Evora died December 17, 2011 at a hospital in Cape Verde. REUTERS/Nacho Doce/Files (PORTUGAL - Tags: ENTERTAINMENT OBITUARY) REUTERS

Het Portugees koloniaal verleden van Kaapverdië klonk door in haar fadogetinte volksmuziek met Afrikaanse ritmes. En altijd was er die snik in haar stem. De Kaapverdische Césaria Évora was de melancholische, blootsvoetse zangeres die na haar 40ste een van de supersterren van de wereldmuziek werd.

In september nam Évora definitief afscheid van het podium met de woorden: „Ik heb geen kracht, geen energie meer. Ik zeg al mijn fans: vergeef mij, ik moet nu rusten.” Haar slechte gezondheid – ze was een fervent roker en liefhebster van cognac – liet het optreden niet langer toe. Eerder had de zangeres al beroertes gehad en had ze een openhartoperatie ondergaan.

De minister van Cultuur meldde zaterdag dat de ster van de eilandengroep was gestorven. Er werden twee dagen van nationale rouw afgekondigd.

Césaria Évora werd bekend als de diva van de treurige en melancholische morna-muziek, de Kaapverdische ‘blues’ waarin Afrikaanse percussie gecombineerd wordt met Portugese fado, Braziliaanse modinhas en Britse zeeliederen (sea-chanteys). In die mengeling van diverse culturen kon Évora haar gevoelens van pijn, wanhoop, de zo vaak verloren liefde (ze werd verlaten door drie echtgenoten) en haar dromen kwijt.

In eerste instantie genoot Césaria Évora alleen bekendheid op de Kaapverdische eilanden, waar ze vanaf haar zestiende zong in lokale bars. Évora, in 1941 geboren in het plaatsje Mindelo op São Vicente en opgegroeid in een weeshuis, droomde altijd van een loopbaan als zangeres. In 1988 besloot zij de gok te wagen door haar land te verlaten, en verhuisde ze naar Parijs om alles te geven voor de muziek. Ze was al 47 jaar toen ze haar eerste album opnam: La Diva Aux Pieds Nus (1988), voor het label Lusafrica van de Frans-Kaapverdische muzikant José da Silva.

Het leverde haar internationale aandacht op. Voor haar album Césaria (1995) kreeg ze bovendien haar eerste Grammy-nominatie. Ze trad op in Europa, Brazilië en Afrika en ging in 1995 op een grote tournee langs Amerikaanse zalen. In 2004 won ze de Grammy voor wereldmuziek, voor het album Voz D’amor.

Centraal in haar muziek stond de heimwee naar haar geboorteland. Haar liedjes waren rijke morna’s van verlangen. „Klein landje, ik hou zo veel van je”, zong ze. „Oh, Kaapverdië, je bent mijn meest sublieme pijn.”

Het album São Vicente di Longe, opgenomen in Parijs, Rio de Janeiro en Havana, was eveneens een weemoedige ode aan haar eiland voor de kust van West-Afrika. Bijdrages leverden onder anderen Bonnie Raitt en de Braziliaanse ster Caetano Veloso.

Dankzij de doorbraak van Évora heeft meer talent uit Kaapverdië kansen gekregen. De zangeressen Tété Alhinho en Lura worden beiden als haar troonopvolgster genoemd.