Je moet schreeuwen, mompelen, jubelen, dwaas

Van de Ierse Nobelprijswinnaar voor de literatuur Samuel Beckett zijn brieven verschenen uit de meest spectaculaire periode uit diens leven. In 1945 gaat hij over op het Frans. Dat heeft prachtige gevolgen.Het tweede deel van Samuel Becketts Letters bestrijkt de meest spectaculaire periode (1941-1956) uit het leven van deze Ierse, sinds de jaren dertig in Parijs wonende, schrijver. In 1945 voltooit Beckett Watt, zijn laatste in het Engels geschreven roman, en gaat dan over op het Frans – waarna er een ongekende creatieve explosie volgt. In een paar jaar tijd ontstaan zijn belangrijkste werken, waaronder de verbijsterende romantrilogie Molloy, Malone meurt en L’innommable. En dankzij het tussendoor geschreven toneelstuk En attendant Godot (première 5 januari 1953 in Parijs) wordt hij, 47 jaar oud, ook nog eens wereldberoemd.

Iedere normale schrijver zou waarschijnlijk zijn gesmolten van dankbaarheid. Bij Beckett gaat dat anders. De dank ontbreekt niet, zijn vaste uitgevers worden levenslange vrienden, de critici die hem gunstig hebben besproken krijgen aardige briefjes, maar de roem die met de lang verhoopte erkenning gepaard gaat is hem van meet af aan een gruwel. Aan het literaire leven weigert hij deel te nemen. Dus geen interviews, geen optredens, en liever ook geen prijzen als daar verplichte publiciteit bij hoort. Men zal het alleen met het werk moeten doen.

Voor dat werk, en voor zijn personages, doet Beckett wel zijn best. Als anderen er slordig of liefdeloos mee opspringen, reageert hij furieus. Simone de Beauvoir krijgt in 1946 een brief vol ingehouden woede, als blijkt dat zij het tweede deel van zijn verhaal ‘Suite’ niet wil opnemen in Les Temps Modernes – een ontoelaatbare ‘verminking’, aldus Beckett. Wanneer er een obscene passage zonder zijn toestemming is geschrapt in een voorpublicatie uit L’innommable, wil hij hoofdredacteur van het betreffende tijdschrift liefst te lijf gaan.

Zo veel furie en zorg contrasteren vreemd met de weinig positieve uitlatingen over datzelfde werk in de correspondentie. Aan vriendin Pamela Mitchell schrijft hij, na een voorstelling van Godot te hebben bezocht, dat hij er nu niks meer aan vindt. In een brief aan zijn Amerikaanse uitgever Barney Rosset lezen we, met een karakteristieke metafoor: ‘Ziek van al dat oude braaksel en meer en meer wanhopig of ik nog in staat zal zijn om weer te kotsen.’ Het vat de ambivalentie jegens zijn eigen schrijverschap goed samen.

Abonnees kunnen het hele artikel hier lezen.

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag 16 december 2011, pagina 2 - 3.