In puin achtergelaten

In this Saturday, Dec. 17, 2011 photo, a soldier from the 3rd Brigade, 1st Cavalry Division carries a mattress while preparing to depart from Iraq at Camp Adder, now known as Imam Ali Base near Nasiriyah, Iraq. (AP Photo/Mario Tama, Pool) AP

Vaak dacht hij dat hij blij zou zijn als de laatste Amerikaan Irak zou verlaten. Maar nu voelt diplomaat Peter van Buren, oud-gezant in Irak, „geen enkele euforie”. „Natuurlijk was weggaan het enig mogelijke, maar we gaan zonder iets bereikt te hebben. Waren we gebleven, dan had het alleen maar meer mensenlevens gekost. Weggaan brengt ook geen oplossing dichterbij, het land is een puinhoop.”

Een puinhoop die hij, zegt hij meteen, mede zelf veroorzaakt heeft. Peter van Buren (51), een forse, kale diplomaat met Nederlandse voorouders, had een hoge functie in Irak. In 2009 werd hij hoofd van een Provinciaal Reconstructie Team (PRT), in de woestijn buiten Bagdad. De ‘harten en hoofden van de Irakezen’ winnen voor de Amerikanen, was de opdracht die hij meekreeg van zijn werkgever. Het werd, zegt hij, de grootste mislukking uit zijn leven. Cynisch lachend: „Het was alsof ik geduldig veertjes aan elkaar zat te plakken in de hoop dat er vanzelf een eend ontstaat.”

Hij schreef een boek over zijn ervaringen, dat onlangs verscheen: We meant well. De bedoelingen wáren ook goed, zegt Van Buren. Na jaren waarin het Amerikaanse leger vergeefs probeerde greep te krijgen op Irak, zond de Amerikaanse regering steeds meer burgers naar het gebied. Van Buren zou vanaf de ommuurde legerbasis FOB Hammer in de woestijn onder meer kleine projecten beginnen om de economie weer wat op gang te helpen, de positie van vrouwen te verbeteren en, zo schreef de opdracht voor, „een sfeer van gemeenschapszin te creëren”.

De missie waar hij mede verantwoordelijk voor was, schildert hij in een gesprek af als een totaal fiasco. Hij noemt het een verspilling van mensenlevens en belastinggeld. Nutteloos werk bovendien, want Van Buren zegt dat hij niets bereikt heeft in Irak. Een conclusie die de woede heeft gewekt van Buitenlandse Zaken, en enkele oud-collega’s uit Irak, die zeggen dat hij een te negatief beeld schetst van zijn werk.

U werkt nog steeds voor Buitenlandse Zaken. Waarom treedt u met uw ervaringen naar buiten?

„Intern is er geen interesse. Er is een les te leren uit de acht jaar die we in Irak verspild hebben. Amerika kan niet meer de wereld naar zijn hand zetten. Dat romantische, negentiende-eeuwse ideaal gaat niet meer op. Meer dan drie biljoen dollar hebben we sinds 2001 uitgegeven aan de oorlogen in Irak en Afghanistan. Een bermbom van het Iraakse verzet kost hooguit veertig dollar. Met veel geld win je geen oorlogen meer. De slagkracht van Amerika is beperkt, maar dat inzicht breekt niet door.”

Hoe verklaart u dat?

„Er zit een can do-gevoel in het land. Er heerst veel optimisme, en een mentaliteit dat ieder probleem opgelost kan worden. Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben we geen oorlog meer gewonnen, maar dat doet niets aan dat gevoel af.”

Hoe werd u voorbereid op uw missie?

„Ik kreeg drie weken les. Ik leerde schieten, en een les die ik ‘islam for dummies’ noem. Ik wist niks van Irak toen ik daar in de woestijn belandde. Mijn collega’s evenmin. In het gebied waar ik werkte, was in 2006 een meisje verkracht en vermoord door Amerikaanse soldaten [beschreven in het boek Black Hearts, red.]. Wij wisten dat niet, en gingen vrolijk aan het werk. De Irakezen in het dorp moesten niets van ons Amerikanen hebben, maar niemand vertelde ons ooit waarom.”

Welke projecten moest u leiden?

„Meestal waren het kleinschalige projecten, bedoeld om de economie op gang te helpen. We regelden bijvoorbeeld drachtige schapen voor boerinnen. Ik kreeg eindeloze hoeveelheden contant geld, die ik zelf mocht uitgeven. Mijn baas Robert Ford [plaatsvervangend hoofd van de Amerikaanse missie, red] schreeuwde een keer tegen me dat ik niet genoeg uitgaf. Ik zag om me heen dat alle teams met hetzelfde probleem worstelden: het geld moest op, dus verzonnen we maar wat.”

Zoals?

„Er werd een Franse chef-kok ingevlogen om vrouwen in Bagdad te leren hoe ze taartjes moeten bakken. Er werd een toneelstuk ingestudeerd met Irakezen, dat ging over een ruzie in een dorp over een ezel. Zonder oog voor lokale gevoeligheden werd in de wijk Doura, waar sunnieten en shi’ieten het hardst hadden gevochten, een zwaarbeveiligde kunstexpositie geopend door het leger. Die werd meteen gesloten toen het leger weg was.”

Van Buren werd verantwoordelijk voor de import van een bibliotheek in het Arabisch vertaalde Amerikaanse literatuur, ter waarde van 88.000 dollar. De regering-Bush was dit project ooit begonnen, maar in Irak dacht geen diplomaat er meer aan. Totdat een vrachtwagen kwam voorrijden. Van Buren moest van de boeken af zien te komen, maar geen school wilde ze hebben. Een school stemde uiteindelijk toe, en Van Buren sleepte de boeken zelf naar binnen. Later hoorde hij dat de boeken die geen geld opbrachten op de zwarte markt, ergens gedumpt zijn.

„Mijn werk was een aaneenschakeling van frustraties”, zegt Van Buren. „We moesten een maatschappelijk middenveld in Irak creëren, maar omdat we geen idee van het land hadden, was dat een onmogelijke taak. We zaten het grootste deel van de dag op een zwaarbewaakte FOB. Reizen was vrijwel onmogelijk. Maar omdat er geld bleef komen, hielden we allerlei projecten in stand. We deelden op een bepaald moment vijfduizend dollar cash geld uit aan Irakezen, bedoeld om ondernemingen te starten. We hebben nooit gecontroleerd wat daarmee is gebeurd.”

    • Guus Valk