Hoe je optimist blijft

Wij mensen hebben een onuitroeibare neiging tot haat en religieuze intolerantie.

Hoe kun je als moderne humanist dan nog geloven dat de wereld te verbeteren is?

Een van de evolutionaire bouwstenen waaruit de mens bestaat, is zijn neiging tot geloof. Zoals in de tijd van Darwin vooruitstrevende geestelijken krampachtige pogingen ondernamen de nieuwe theorie te verenigen met hun geloof, zo zien hedendaagse evolutionisten zich gedwongen de religieuze impuls te erkennen die in de mens zelf ingebouwd is. Anders gezegd: zelfs als je zou kunnen aantonen dat God niet bestaat, zullen er altijd mensen zijn die in Hem geloven. En als we niet irrationeel in Hem geloven, dan geloven we wel irrationeel in iets anders. Betekenis in de wereld wordt niet gevonden, betekenis in de wereld wordt gemaakt. De mens kan kennelijk niet anders.

Een tijd lang konden we denken dat God zou verdwijnen omdat hij een menselijke uitvinding bleek te zijn – en nu lijkt het er op dat hij niet zal verdwijnen juist omdat hij een menselijke uitvinding is. De wetenschap dat het leven an sich geen doel of zin heeft, is voor de meeste mensen onverdraaglijk. Liever nog dan die waarheid onder ogen te zien, gaat men op zoek naar een vervangend geloof.

Heel mooi zie je dat verbeeld in de recente Amerikaanse film Margin Call. Die film gaat over een grote financiële instelling à la Lehman Brothers, die aan de vooravond van de bankencrisis van 2008 ontdekt dat het bedrijf op de rand van de ondergang verkeert. Langzaam dringt die waarheid door in de hoofden van de werknemers: ze beseffen dat het niet om een ongelukje gaat, maar dat het systeem waar ze zich met hart en ziel aan hebben uitgeleverd zélf door en door verrot is. De verstandigste van hen, gespeeld door Kevin Spacey, wil niet langer meedoen wanneer van hem gevraagd wordt in een laatste reddingspoging de markt te overspoelen met waardeloze opties. Maar uiteindelijk zwicht hij, omdat hij zich geen ander leven kan voorstellen dan in dienst van de bank. Hij weet rationeel wel dat hij een hopeloze zaak dient, die hij zo gauw mogelijk achter zich zou moeten laten – maar hij kan het domweg niet. Hij kan zijn geloof niet opgeven, omdat hij in niets anders gelooft.

Wanneer de mens van nature geneigd is op zoek te gaan naar iets wat groter is dan hemzelf, iets wat zijn wereld samenhang en betekenis geeft, betekent dat dan ook dat hang naar groepsvorming en culturele eigenheid – zoals die door politieke bewegingen als Vlaams Belang, de Echte Finnen, de Zwitserse Volkspartij en Oostenrijke FPÖ en in Nederland de PVV wordt vertolkt – in onze genen zit? Wanneer de mens beter is uitgerust om de wereld te verklaren in religieuze termen dan door middel van de wetenschap, dan zou ik niet verbaasd zijn wanneer dat ook blijkt te gelden voor de behoefte aan culturele eigenheid, groepstrots, clubgevoel en rassenwaan ten opzichte van het verlichte ideaal van een leven met de Universele Rechten van de Mens als leidraad.

Het accepteren van iemands menselijkheid los van zijn afkomst en cultuur is rationeel niet zo moeilijk. Zeker na de Tweede Wereldoorlog was er de breed gedragen, bij uitstek humanistische verwachting dat het de mens ooit zou lukken zijn oorsprong en afkomst te overstijgen en de ander te herkennen als drager van essentieel menselijke waarden. Paradoxaal genoeg maakte juist die overtuiging ook het multiculturalisme mogelijk: er was niets mis wanneer mensen uit verschillende culturen hun eigen gang gingen, we vonden elkaar wel in onze gedeelde menselijkheid.

Maar in de praktijk bleek dat idee vaak genoeg een waardeloze abstractie. Een aantal jaren geleden bezocht ik met een Indiase vriend een sloppenwijk in Mumbai. We werden ontvangen door twee vrouwen, een oude en een jonge, die daar een soort buurtwacht vormden. Het was duidelijk dat deze formidabele dames gezag genoten. Tijdens ons gesprek kwamen voortdurend mannen binnen, die eerbiedig gehurkt tegen de muur van de kleine ontvangstruimte gingen zitten, terwijl de twee vrouwen op hoge vergulde stoelen audiëntie hielden. Er waren daar in de jaren negentig vreselijke rellen geweest tussen hindoes en moslims en nog altijd waren er af en toe grote spanningen en incidenten. De twee vrouwen wilden er niets van weten. We kunnen nog zo verschillend lijken, merkte de oudste van de twee vrouwen op, maar het bloed in onze aderen heeft dezelfde kleur.

Maar toen mijn vriend informeerde naar een recent incident in de sloppenwijk, waarbij hindoes een moslimfamilie hadden aangevallen, veranderde de toon subiet. Natuurlijk moesten hindoes en moslims vreedzaam samenleven, verklaarde de oudste van de twee vrouwen, maar het kon niet allemaal van één kant komen, natuurlijk. Het gaf de moslims nog niet het recht alle banen voor zichzelf op te eisen. En wat het geloof betrof – waarom zou je tolerant zijn wanneer de ander het niet was? Zo ging het nog een tijdje door. Het viel me op dat de twee vrouwen een stuk geanimeerder spraken dan toen ze hun humanistische opvattingen beleden. Dat kwam omdat ze niet langer over abstracties spraken, maar over wat zij als de harde werkelijkheid beschouwden. Die werkelijkheid lag stevig ingebed in een lokale en culturele context.

Het besef dat de wereld niet maakbaar is juist omdat je met mensen te maken hebt, vind ik waardevoller dan welke verheven gedachte over de broederschap der mensheid dan ook. Alle mensen zullen nooit broeders worden, dat lijkt nu wel zeker. En ook zal het de mens waarschijnlijk nooit lukken zichzelf verantwoordelijk te maken voor de wereld die hij wel wil domineren maar niet kan bevatten. Wanneer de grond te heet onder zijn voeten wordt, zoekt hij zijn heil bij wat zekerheid lijkt te bieden: God en de groep.

Mijn humanisme is ten diepste doordrongen van dat besef. De grootste humanist aller tijden, de Franse essayist Michel de Montaigne, bekrachtigde in het laatste essay dat hij schreef zijn inzicht dat wanneer hij de mens wilde leren kennen, hij zichzelf in al zijn tegenstrijdigheden als uitgangpunt moest nemen. Hij schreef: „Ik bestudeer mezelf meer dan enig ander onderwerp. Dat is mijn metafysica, dat is mijn fysica.” Montaigne wil ook de wereld niet blijvend veranderen, omdat hij weet dat dat niet kan. Hij pleit slechts voor bedachtzaamheid en matiging.

Zo’n soort humanisme betekent geenszins een uitnodiging om lijdzaam toe te zien hoe verschillende samenlevingen weer ruim baan maken voor intolerantie, onderdrukking, uitsluiting en vernedering. Integendeel. Maar het is zeker ook geen excuus voor smetvrees ten opzichte van radicaal andersdenkenden, je te verschuilen achter mooie, maar even abstracte en verheven principes en je hoofdschuddend af te vragen hoe het toch weer uit de hand heeft kunnen lopen.

Vooruitgang en terugval zijn twee kanten van dezelfde medaille. Dat lijkt me ook de uitdaging voor iedere vorm van hedendaags humanisme – een optimistisch geloof is dat de wereld wel degelijk te verbeteren valt, getemperd door een groot wantrouwen in de menselijke natuur. Er is geen blauwdruk, er is geen zaligmakend recept, geen handvest. Er zijn, vrees ik, alleen mensen.

Bas Heijne is schrijver, vertaler en essayist. Dit is een verkorte versie van de Socrateslezing, die hij vorige week uitsprak.

    • Bas Heijne