Hij was bang en kon niet meer slapen

Harry staat terecht voor het bezit van wapens en drugs.

Zijn verweer: hij werd afgeperst, en was doodsbang. Daarom had hij die wapens gekocht.

Wie: Harry G. (44)

Waar: politierechter Amsterdam

Staat terecht voor: bezit van drugs, een stroomstootwapen en een pistool met munitie

Het gaat wat ver om Loosdrecht het Marbella van de provincie Noord-Holland te noemen. Maar ook hier komen criminelen graag. Het dorp, onderdeel van de gemeente Wijdemeren, heeft de kenmerken waar snelle jongens van houden. Grote, vrijstaande huizen, jachthavens, en de nabijheid van Amsterdam en het Gooi. ‘De Zwarte Cobra’, de beroemde drugshandelaar, vierde zijn huwelijksfeest op een van de vele eilandjes in de Loosdrechtse Plassen. Verdachten in het Amsterdamse liquidatieproces logeerden er op zijn boot.

Ook de 44-jarige Harry woonde er, toen hij op 20 april werd aangehouden in zijn huis. Als hij bij de rechter wordt binnengebracht door twee agenten draagt hij een grijs-zwart geruit vest gevoerd met nepbont. Hij is lang, jongensachtig en opvallend bruin voor iemand die al maanden vastzit.

Bijna een week voor de inval had de politie een melding gekregen van de Criminele Inlichtingen Eenheid over Harry. In het korte bericht stond dat hij één of meerdere vuurwapens had. Voor de politie was het aanleiding hem aan te houden.

In zijn huis vonden ze inderdaad een stroomstootwapen, een pistool en munitie en nog meer dingen „die ík niet in huis heb”, zegt politierechter Knol tegen hem. Zoals een valsgelddetector, twee bivakmutsen, 13 xtc-pillen, 0,9 gram cocaïne en 110 gram hasj.

Aan de politie vertelde Harry direct na zijn aanhouding dat hij de wapens had omdat hij bang was. Hij was een tijdje in de weer geweest met „types” en „een transactie was niet doorgegaan”.

Aan politierechter Knol vertelt hij meer. Hij presenteert zich als een klusjesman, die toevallig tijdens zijn werk werd benaderd door iemand die een partij hasj wilde verkopen. Harry wist wel een koper. Hij zou voor die bemiddeling betaald krijgen, hoe veel werd op de zitting niet duidelijk. Maar de kopende partij trok zich na enkele dagen terug. En toen, Harry begrijpt ook niet waarom, hadden de mannen achter de verkoper geld van hém gewild, omdat de deal was mislukt.

Rechter Knol: „Had u misschien al geld gekregen voor de bemiddeling?”

Harry zegt van niet.

Harry zegt dat hij werd afgeperst, en doodsbang was. Hij kon niet meer slapen en schrok van elk geluid. Daarom had hij die wapens gekocht, van een man „achter het station in Hilversum”. Om zich te kunnen verdedigen als dat nodig was. Hij was bij de politie geweest om te praten over de afpersing, maar besloot „toen en daar” geen aangifte te doen, maar zijn afpersers te gaan betalen.

Dat deed hij volgens eigen zeggen in kleine porties: bij een benzinepomp, vlakbij zijn huis, op plaatsen waar hij aan het werk was. Zijn moeder en stiefvader betaalden mee, zegt Harry.

De officier van justitie vindt dat de verdachte geloofwaardig overkomt, maar omdat hij geen aangifte heeft willen doen van de afpersing is zijn verhaal „oncontroleerbaar”. Het blijft daarom „niet meer dan een verhaal”. En Harry is ook geen first offender; in 2004 werd hij veroordeeld voor handel in softdrugs. De officier vraagt de rechter vijf maanden gevangenisstraf op te leggen.

Maar dan begint de advocaat van Harry, Peter Beijen, te morrelen aan de fundamenten van de zaak. Hij betoogt dat er iets belangrijks ontbreekt aan het bericht van de Criminele Inlichtingen Eenheid. Er staat niet in hoe betrouwbaar de informatie wordt geacht. Omdat informatie van de CIE afkomstig kan zijn van criminele informanten die elkaar een loer proberen te draaien, heeft de politie in zo’n geval de plicht om gegevens zelf te verifiëren of te verrijken. Alleen dan wordt de verdenking concreet genoeg om iemand aan te mogen houden. Maar de informatie over Harry is niet aangevuld, zegt Beijen. Verifiëren „is iets anders dan controleren om wie het gaat”. Hij vindt de aanhouding van Harry daarom onrechtmatig.

Wat daarna gebeurde, mag wel. Toen Harry werd aangehouden waren er meerdere mensen in zijn huis. De agenten hoorden één van hen zeggen: „Die komen natuurlijk voor die wapens van hem.” Dát was op dat moment de extra aanwijzing die doorzoeking van het huis rechtvaardigde. En toen de agenten er cocaïne aantroffen, belden ze keurig een officier die de rechter-commissaris inschakelde en toestemming verleende voor doorzoeking van het huis op grond van de Opiumwet. Op dat moment was er niet alleen een verdenking van verboden wapenbezit, maar ook van drugsbezit.

Politierechter Knol is het met Beijen eens dat er sprake is van „ernstig vormverzuim” bij de aanhouding. Dat leidt tot de volgende uitspraak.

Er zijn wapens gevonden in het huis van Harry. Harry heeft toegegeven dat ze van hem waren, maar hij wordt er niet voor veroordeeld. Voor het bezit van cocaïne en hasj legt de rechter hem het aantal dagen gevangenisstraf op dat hij al in voorarrest heeft gezeten: 49.

Een beetje verbaasd kijkend verlaat Harry de zaal, overigens niet als vrij man – hij gaat in een arrestantenbusje terug naar zijn cel in Vught. In een andere zaak is hij aangehouden op verdenking van afpersing. Hij heeft dat bekend, maar dat is volgens zijn advocaat „niet relevant” in deze zaak.

Merel Thie

    • Merel Thie