'Export blijft achter bij buurlanden'

Technologische industrie is een belangrijke motor voor de economie. Maar de overheid doet te weinig om dat zo te houden, vindt de nieuwe voorzitter van de branche.

Ieneke Dezentje Hamming-Bluemink FOTO: VVD 2010

Ze is nauwelijks vier weken in functie of ze heeft al een uitnodiging binnenvoor een gesprek in ‘het torentje’. Vorige maand werd Ineke Dezentjé Hamming-Bluemink benoemd als voorzitter van de werkgeversorganisatie voor de technologische industrie, FME-CWM.

Wat haar betreft staat de agenda voor het gesprek met premier Rutte, minister Kamp van Sociale Zaken of minister Verhagen van Economische Zaken al vast. Het gesprek moet gaan over : concurrentievervalsing op de exportmarkt voor strategische goederen door Duitsland en België (de overheid soepeler is daar soepeler met vergunningen); tekort aan goed opgeleid technisch personeel; en problemen met exportkredietverzekeringen. „Soms zijn de belangen zo groot dat de overheid móet ingrijpen en een industriesector die de grootste bijdrage aan de Nederlandse export levert, tegemoet moet komen.”

De werkloosheid loopt op door de recessie en toch schreeuwt de technologische industrie om sollicitanten. Die moeten dan toch zo te leveren zijn?

„De technologische sector, ik noem het de ‘maakindustrie’ kampt met een groot probleem op de arbeidsmarkt. Het vertrek van de oudere generatie wordt niet gecompenseerd door gekwalificeerd aanbod vanuit het beroepsonderwijs. Op vmbo-niveau loopt het tekort op tot bijna 35.000. Op mbo en hbo-niveau gaat het om respectievelijk 23.000 en 13.000 banen.

En er zit nog steeds groei in de Nederlandse maakindustrie. De omzet is wel wat gedaald, maar de winstgevendheid is nog steeds goed. Er zijn bedrijven die de omzet dit jaar met 40 procent zien groeien. Hetzelfde geldt voor de exportpositie van de bij de branche-organisatie aangesloten bedrijven. En dat in een sector die in staat is om, ondanks recessie, de exportpositie en het nationaal inkomen van Nederland te verbeteren.”

Hoe komt dat? Er komen tienduizenden sollicitanten beschikbaar vanuit sectoren waar wel wordt gesaneerd.

„Een ontslagen postbode of een andere werkzoekende die lasser wil worden, moet nu eerst een langdurige lascursus doen bij één van de roc’s. Onze branche zit helemaal niet te wachten op een lasser die overgekwalificeerd is. Die wil er een die met een stoomcursus van drie maanden het werk ook wel aan kan. En een ontslagen postbode gaat niet eerst langdurig onbezoldigd op cursus. Die werknemer heeft ook zijn lopende financiële verplichtingen. Maar de roc’s willen dat zo. Die hebben hun eigen belang om vast te houden aan die langdurige cursussen. Ze zitten nog vast aan oude patronen, zonder te weten wat er precies speelt op onze arbeidsmarkt. En dat terwijl we 40 miljard euro in ons onderwijssysteem stoppen om dit soort dingen goed te regelen. In onze branche is daarom nu de interne bedrijfsschool in opmars. Ik ga me er in deze functie op focussen dat de onderwijspotten zo goed mogelijk worden ingezet voor opleidingen waar het bedrijfsleven behoefte aan heeft.”

Kennelijk heeft de Nederlandse maakindustrie niet het juiste imago onder jongeren?

„In het vmbo wil de helft van de meisjes kapster worden terwijl daar geen banen voor zijn. In de techniek valt juist wel te verdienen en dat geldt niet voor de student die het conservatorium heeft afgerond. Onze branche biedt perspectief op werk. Maar dan moet er ook het besef op de scholen zijn dat techniek en natuurkunde leuke vakken zijn. En dat het niet alleen opleidt tot fabrieksarbeider. Maar het onderwijs feminiseert. De meeste leraren kennen de industrie helemaal niet. Hoe kun je jongeren dan motiveren voor een toekomst in die branche? En dan zijn er ook nog leraren techniek die les geven met volstrekt verouderde bedrijfsmachines. Terwijl de ontwikkelingen in onze branche zo ontzettend snel gaan.”

Wat kan de overheid in tijden van crisis doen om de concurrentie- en exportpositie van de technologische industrie te verbeteren?

„Deze industrie is de banenmotor van het land. Er werken 410.000 mensen en er wordt een omzet gedraaid van 90 miljard euro. Het is een sector die het moet hebben van export. Dat is onze groeimarkt. We hebben ambassades in het buitenland die daar een bijdrage aan zouden kunnen leveren. Maar dat gebeurde in het verleden te weinig. Ze vonden grensconflictjes in verre oorden belangrijker.

In Duitsland en België worden bedrijven beter door de overheid gefaciliteerd. In Duitsland wordt stroomtransport bijvoorbeeld, kwijtgescholden. In Duitsland worden controversiële vergunningen ook sneller afgegeven, bijvoorbeeld voor röntgenapparatuur. Die kan gebruikt worden in ziekenhuizen, maar ook in de wapenindustrie.”

Lijdt het Nederlandse bedrijfsleven schade doordat de overheid niet snel genoeg reageert?

„In Nederland doet het ministerie van Economische Zaken de verstrekking van vergunningen. En dat merken de bedrijven hier. Komen ze bij een klant in het buitenland en dan staan daar plotseling Duitse machines. In dat land is het besef bij de overheid groter dat deze industrie de motor van de economie is. In Nederland moeten de winsten op innovatie en ontwikkeling fiscaal aftrekbaar blijven. Het geld dat verdiend wordt op patenten, bijvoorbeeld. Die aftrekpost mag niet lijden onder de bezuinigingen.

Duitsland kent ook het instrument van Kurzarbeit , hun variant op onze deeltijd-WW. Dat wordt daar massaal toegepast, gefinancierd door het bedrijfsleven én de overheid. Daar is in Nederland maar mondjesmaat gebruik van gemaakt. Het gaat er om dat het Nederlandse bedrijfsleven op gelijke voet kan concurreren met de ons omringende landen. En dat is niet altijd het geval. Daardoor dreigt internationaal achterstand.”

Waar loopt het bedrijfsleven nog meer tegen aan als het om overheidssteun gaat?

„Neem het toenemende probleem van de exportkredietverzekeringen. Damen Shipyards kan dan wel een opdracht voor de bouw van boten binnen krijgen, maar zo’n order moet je wel kunnen verzekeren. Zo’n boot moet je eerst bouwen en daar zijn bepaalde garantieregelingen voor nodig.

Door de huidige financiële situatie zijn verzekeraars en banken daar zeer terughoudend in geworden en er zijn maar een paar kredietverzekeraars op de Nederlandse markt actief zijn.

Het Rijk zou actiever kunnen zijn in het doorlichten van de huidige praktijk en kijken naar wat er mogelijk is als de markt faalt. Is dat een overheidstaak? Ja want soms zijn de belangen zo groot en de situatie zo nijpend, zoals nu door de kredietcrisis, dat er wel ingegrepen móet worden. Anders loopt de export schade op.”

    • Jos Verlaan