Drie meisjes

De trein stopte ’s morgens in Den Bosch en er kwamen vier meisjes mijn coupé binnen. Voor drie van hen was naast en tegenover mij plaats, de vierde moest doorlopen. Ze waren een jaar of zeventien, achttien, een heel leven lag nog vóór hen en ze beseften het niet eens – wat juist het mooie van die leeftijd is.

Aan hun uiterlijk hadden ze geen overdreven aandacht besteed, ik vermoedde dat ze op weg waren naar een of andere schoolopleiding in Eindhoven. Ze letten niet op mij, waarom zouden ze – een man met een krant, alledaagser kan het niet.

De knapste, een meisje met donker haar en een fijnbesneden gezicht, zat tegenover mij. Ze liet de conversatie vooral aan de andere twee over, het donkerblonde meisje naast haar en het lange meisje naast mij. Ze praatten met Brabantse tongval, zonder in vet dialect te vervallen.

Ik was net in mijn krant aan een hoofdredactioneel commentaar begonnen, maar ik besefte dat er nu andere prioriteiten waren, of ik wilde of niet.

Het gesprek ging al snel over piercings en tattoos. Of ze er zelf veel bezaten werd me niet duidelijk omdat ze spijkerbroeken droegen en hun jassen aanhielden. Alleen op de tong van het knappe meisje zag ik af en toe een piercing glimmen. Ze had hem niet nodig, maar wie was ik om me daarmee te bemoeien?

Het meisje naast me zei: „Ik heb een piercing in mijn navel. Het deed wel pijn toen ze hem vastmaakten, ik voel nog steeds een soort wondje.”

„Je moet er niet aan trekken”, zei het donkerblonde meisje. „Zorg eerst dat het helemaal geneest. Ik heb een vriendin die met de piercing in haar oor ergens aan bleef haken, dat was ook erg pijnlijk.”

„Tattoos kunnen óók mooi zijn”, zei de ander. „Ik zag laatst iemand met een strik op haar arm. Echt prachtig.”

„Jawel”, zei het knappe meisje, „maar als je vijftig bent en je vel is slap, dan is het niet meer zo mooi.” Zij had aanleg voor burgerlijkheid, vermoedde ik, die piercing in haar mond zou de vijftig bij lange na niet halen.

Het meisje naast me haalde haar schouders op. „Maar ik vind het nú zo mooi. Een vriendin van mijn broer heeft grote tattoos op haar bovenlijf en rug, ze lopen bijna in elkaar over. Zoiets zou ik ook willen.”

Ze keken geen moment naar buiten, dit ritje moesten ze bijna dagelijks maken. Er was nu ook weinig te zien, Brabant ging schuil achter een vuilgrijze mist.

„Ik moet voor Nederlands nog een cv maken”, zei het meisje naast me. „Wat is dat nou precies, een cv?”

„Je naam, waar en wanneer je bent geboren, waar je gewerkt hebt”, zei het donkerblonde meisje. „Het is voor als je straks gaat werken.”

Geen leuk onderwerp eigenlijk en ze besloten er dan ook snel vanaf te stappen. Ze begonnen over een moord – man doodde vriendin – waarover ze iets op tv gezien hadden. „Teringkerel”, zei de een. „Teringzooi”, zei de ander. Toch vormde deze zaak een nuttige brug naar een veel persoonlijker onderwerp: de vriend.

„Hoe is het nou met ’m?” vroeg het meisje naast me.

De donkerblonde wreef over haar gezicht. „Hij heeft helemaal niet meer gebeld sinds hij terug is. Toch is hij thuis, dat weet ik zeker. Ik ben met een vriendin naar hem toegereden en er brandde licht.”

Je voelde achter de bijna toonloos uitgesproken woorden een diepe teleurstelling die ze liever verborg.

„Heb je niet aangebeld?”

Ze schudde het hoofd, ze had de teringkerel opgegeven.

    • Frits Abrahams