Dom om ambassades te sluiten

Nederland is contraproductief bezig door zich in zijn relaties met Latijns-Amerika exclusief op het eigenbelang te richten, betogen Michiel Baud en Barbara Hogenboom.

De Tweede Kamer bespreekt morgen de brief over het Nederlandse beleid tegenover Latijns-Amerika, die minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) schreef op verzoek van de CDA-fractie. Deze brief biedt een interessant inzicht in het denken van de minister en toont volgens ons een fundamentele fout in het denken over buitenlandse relaties. De Nederlandse belangen staan expliciet centraal, maar vergeten wordt dat „welbegrepen eigenbelang” ook samenwerking met, en belangstelling voor, Latijns-Amerika moet inhouden.

De brief begint, terecht, met de opmerking dat Latijns-Amerika geen „probleemcontinent” meer is. Militaire dictaturen, hoge schulden, inflatie en brede armoede hebben plaatsgemaakt voor democratie, economische groei en sociale vooruitgang, al blijft de ongelijkheid groot.

Deze verheugende ontwikkelingen hebben minder gunstige gevolgen voor de Nederlandse rol en vertegenwoordiging in de regio. Het kabinet bouwt de ontwikkelingssamenwerking verder af en sluit vijf ambassades, waarvan de meeste vooral werden geassocieerd met ontwikkelingssamenwerking. Het meest opmerkelijk is de sluiting van de ambassade in Bolivia, het armste Zuid-Amerikaanse land, dat traditioneel altijd veel geld heeft ontvangen en waar Nederland een van de invloedrijkere Europese landen is.

Opvallend is het gelijktijdig openen van een ambassade in Panama, een land dat vanwege het kanaal natuurlijk strategisch en economisch van belang is, maar in het geheel van Latijns-Amerikaanse naties een onbeduidende rol speelt. Voor het openen van deze nieuwe post wordt geen enkel argument gegeven. De verwachting lijkt ons dat het nieuwe kanaal, dat in Panama zal worden gegraven, grote kansen zal bieden voor het Nederlandse bedrijfsleven.

Het economische eigenbelang speelt sowieso een doorslaggevende rol in de brief van de minister. De brief constateert dat Nederland voor veel Latijns-Amerikaanse landen behoort tot de topdrie van exportbestemmingen. Ons land is in Brazilië zelfs de op twee na grootste investeerder. De conclusie is dat Nederland de economische groei van Latijns-Amerika moet benutten om zijn positie als toegangspoort tot Europa verder uit te bouwen.

Enerzijds is de economische rol van Nederland in Latijns-Amerika inderdaad aanzienlijk. Het Nederlandse bedrijfsleven nam tussen 2006 en 2009 gemiddeld 5 procent van de buitenlandse investeringen voor haar rekening – de brief refereert aan de 13 procent in 2010, maar dat was het gevolg van een miljardenovername door Heineken in Mexico. Anderzijds moeten dit soort cijfers met een grote korrel zout worden genomen. Nederland is nu eenmaal een belastingparadijs, van waaruit veel internationale bedrijven graag opereren. Dit zijn de zogenoemde postbusmultinationals. Zij kunnen niet worden gerekend tot het Nederlandse bedrijfsleven.

Een meer fundamentele kritiek betreft de wijze waarop in deze nota wordt gesproken over de economische belangenbehartiging van het Koninkrijk. De nota is zeer openhartig over het Nederlandse eigenbelang, dat centraal staat in onze buitenlandse relaties met Latijns-Amerika. Alle posten moeten zich vooral richten op „handelsbevordering” en „economische diplomatie”.

Ook de aandacht voor veiligheid wordt voornamelijk gelegitimeerd vanuit de Nederlandse belangenbehartiging. Zoals in de brief wordt gesteld: „Het is in het belang van het Koninkrijk” om bij te dragen aan de oplossing van problemen als drugshandel en geweld.

Vanzelfsprekend kan en zal worden gediscussieerd over de keuzes die worden gemaakt. De nota wijst bijvoorbeeld op de kansen voor de Nederlandse agrosector, omdat „alleen al in Brazilië 100 miljoen hectaren braak liggen of extensief worden gebruikt”. De wijze waarop de Nederlandse agrosector wordt aangejaagd, is onzes inziens tamelijk schokkend. Geen aandacht wordt besteed aan milieuaspecten en aan de intense strijd rond land en landverdeling, die in Brazilië – net als in veel andere landen – wordt gevoerd.

Het gaat ons evenwel vooral om de wijze waarop de belangenbehartiging vorm krijgt. Latijns-Amerika is een groot en in toenemende mate zelfbewust continent. Veel Latijns-Amerikanen voelen een vanzelfsprekende affiniteit met de Europese cultuur en hebben Europa vaak gezien als noodzakelijk tegenwicht tegen de Verenigde Staten, en recentelijk ook tegen de groeiende Chinese invloed. Tegelijkertijd bestaat er een sterk nationaal en regionaal bewustzijn. Dit is het afgelopen decennium alleen maar gegroeid en wordt gedragen door links en rechts. Zo wordt niet alleen door sociale bewegingen, maar ook door steeds meer (progressieve) regeringen kritisch gekeken naar vrijhandelsverdragen, omdat deze voornamelijk in het belang zouden zijn van grote, buitenlandse bedrijven.

In deze context kan het „welbegrepen” eigenbelang van Nederland het beste worden gewaarborgd door een buitenlands beleid dat respect uitstraalt voor dat zelfbewustzijn en een langdurig engagement toont met de landen in Latijns- Amerika.

Nederland heeft een heel goede naam in Latijns-Amerika. Dit komt enerzijds door de activiteiten van ons bedrijfsleven, dat zich vaak beter aanpast dan dat van andere landen, zoals de Verenigde Staten, Spanje of China. Anderzijds komt het door een directe betrokkenheid bij het continent, die tot uiting is gekomen in de traditie van ontwikkelingssamenwerking, het strijden voor de mensenrechten of culturele uitwisseling.

Juist omdat het economisch in Latijns-Amerika zo goed gaat, zou Nederland zijn brede aanwezigheid in de regio moeten versterken. Economische diplomatie zou moeten worden aangevuld en versterkt door nieuwe vormen van uitwisseling en samenwerking. Deze politiek zou voortbouwen op de bovengenoemde ‘traditionele’ thema’s, maar ook op nieuwe terreinen als duurzaamheid, onderwijs, wetenschap en technologie. Dit zijn allemaal zaken die wederzijdse belangen dienen en waarbij samenwerking zeer wordt gewaardeerd door alle sectoren van de Latijns-Amerikaanse samenleving.

Het is een fundamentele denkfout om aan te nemen dat de Nederlandse belangen in Latijns-Amerika het beste worden behartigd door de bestaande relaties en verplichtingen te beëindigen en alleen het eigen economische belang centraal te stellen.

Michiel Baud en Barbara Hogenboom zijn werkzaam bij het Interuniversitaire Centrum voor Studie en Documentatie van Latijns-Amerika (CEDLA) in Amsterdam.