De nonchalantie van de surveillantie

De oppositie in de Tweede Kamer heeft steeds meer kritiek op de aanpak van de eurocrisis door het kabinet, zo meldde het NOS Journaal afgelopen vrijdag. Ter onderbouwing kreeg de kijker enkele commentaren van Kamerleden voorgeschoteld, waarvan ik die van Tony van Dijck het interessantst vond.

Van Dijck is lid van de Tweede Kamer voor de PVV. Zijn kritiek op het kabinet: „Ik vind de nonchalantie en het gemak waarmee hier gesproken wordt over miljarden, waarbij gevraagd wordt om een garantiestelling van 17 miljard voor het IMF, maar het kan ook 14 miljard zijn, dat vind ik geen stijl.”

Het gaat mij er niet om dat dit geen vloeiende zin is. Het uitschrijven van gesproken taal levert zelden vloeiende zinnen op. Wat mij trof was dat het Journaal juist deze ene zin eruit had gepikt. Ik heb het debat niet in z’n geheel gezien, maar zonder twijfel heeft Van Dijck nog andere dingen gezegd.

Nu wordt hij geciteerd met een knoeperd van een taalfout: nonchalantie in plaats van nonchalance. Is dit citaat bewust gekozen om Van Dijck voor gek te zetten? Weer zo’n maffe PVV’er die je niet helemaal serieus hoeft te nemen? Want dat is al snel het effect: na iets doms wordt iets zinnigs zelden goed gehoord, want in het oog lopende domheid werkt als een zwart gat – ze zuigt alle aandacht op.

Of hebben ze bij het Journaal helemaal niet opgemerkt dat Van Dijck iets geks zei? Het zou kunnen, maar het lijkt me onwaarschijnlijk.

Het zou trouwens net zo goed een simpele verspreking kunnen zijn. Het is garant en garantie, maar nonchalant en nonchalance. Zet die twee woorden in één zin (over de nonchalance van een garantiestelling) en de kans stijgt dat er iets misgaat. Terwijl nonchalance nog moet worden uitgesproken, zijn de hersens al op zoek naar het woord garantie, en bingo: daar rolt per ongeluk de mengvorm nonchalantie uit je mond. Dit foutenpatroon kom je niet alleen tegen in spreektaal maar ook in schrijftaal.

Overigens zijn er natuurlijk wel degelijk mensen die denken dat nonchalantie correct is. In kranten vind je dit woord slechts zelden, maar waar iedereen z’n zegje mag doen, op internet, kom je het honderden keren tegen. „Vrouwelijke nonchalantie”, „nonchalantie die de zwaartekracht beledigde”, „de nonchalantie van Real Madrid”, idem van Ajax, „humor en een vleugje nonchalantie” – de lijst is lang.

Nonchalantie is trouwens een verraderlijk woord. Als je het bij toeval een keer leest of hoort, dan steekt het nog. Maar zeg het tien keer achter elkaar en het valt meteen in de pas bij woordparen als arrogant / arrogantie, garant / garantie, dominant / dominantie. Nonchalantie bestaat net zo min als surveillantie, maar zeg het een paar keer hardop en het klinkt steeds minder gek. En voor je het weet nestelt het zich in je hoofd.

Komen we nonchalantie alleen in recente bronnen tegen? Nee, in 1936 had het tijdschrift De Boekengids het over „de zedelijke nonchalantie” in een bepaalde roman. Wel was het vroeger veel zeldzamer dan nu. Dat komt natuurlijk doordat publiceren lang was voorbehouden aan een kleine groep, terwijl nu iedereen iets de ether in kan slingeren.

Tot slot een kwestie van een paar weken terug. Ik schreef toen dat lagere milieus bij mijn weten geen algemene aanduiding kennen voor mensen uit hogere milieus. Diverse lezers wezen er terecht op dat kakkers op die manier wordt gebruikt. Dat is juist, hoewel kakker natuurlijk ook wordt gebezigd voor een bepaald type: erg netjes gekleed, geaffecteerd pratend, zeg maar: iemand die loopt te ijpsen in een kledingwinkel of warenhuis.

    • Ewoud Sanders