Zware tijden voor joden en christenen in Egypte

De geruststelling boven het artikel van Maurits Berger, ‘geen zorgen, die sharia is allang ingevoerd in Egypte’, ontgaat mij eerlijk gezegd (Opinie, 13 december). Ik geef twee voorbeelden. Op 6 oktober 1981 vermoordde Khalid Islambouli, lid van de islamistische jihadbeweging, Egyptes president Anwar Sadat en elf anderen, onder wie de ambassadeur van Cuba, een generaal uit Oman en een koptisch-orthodoxe bisschop, terwijl 28 anderen werden verwond. Een belangrijk motief voor deze moord was het bezoek van Sadat aan Israël (1977) en de met de Nobelprijs voor de vrede (1979) bekroonde vredesakkoorden met Israël (1978).

In juni 1992 uitte de Egyptische journalist en schrijver Faraj Fuda kritiek op de islamitische clerus en maakte hun ambitie om sharia in te voeren belachelijk. Deze kritiek werd niet gewaardeerd. Een groep van al-Azhar in Kairo had de mening van de sjeik al-Azhar, Jadd al-Haqq, uit 1988 aanvaard, waarin seculiere schrijvers als vijanden van de islam werden gebrandmerkt. Fuda werd als zo’n seculiere geïdentificeerd en werd vijf dagen later vermoord. Al-Azhar sprak de straf uit en wij voerden de executie uit, aldus zijn moordenaars. Of deze islamisering „door de hele bevolking breed wordt gedragen” en „in het algemeen vredelievend, maar soms ook gewelddadig” is, waag ik te betwijfelen: tolerantie voor andersdenkenden en andersgelovigen kent de sharia niet. Voor Joden, christenen, seculieren en homoseksuelen, om maar een paar dwarsstraten te noemen, breken zo mogelijk nog zwaardere tijden aan dan voorheen.

Dan Cohen

Voorzitter Federatie Nederlandse Zionisten