Voetbal oorlog? Niet in de heuvels van Galilea

Bnei Sakhnin, de enige Arabische club in de eerste Israëlische voetbalcompetitie, wil met een team van Joodse en Palestijnse spelers een bijdrage aan vrede leveren.

SAKHNIN, ISRAEL DECEMBER 10: Israeli Arab, Ihoud Bnei Sakhnin football team play vast Hapoel Ashdod at their home Doha Stadium on December 10, 2011 in Sakhnin, Israel. Bnei Sakhnin, with Israeli Arab, Israeli Jews and foreign players, is the most successful Israeli Arab club, they have won the State Cup in 2004. (Photo by Yoray Liberman)

Midden op de rotonde voor de moskee in de stoffige hoofdstraat stopt Mahmood Galiah zijn witte stationcar. Hij claxonneert, stapt uit en maakt schreeuwend en zwaaiend duidelijk dat hij gevolgd kan worden. De kronkelende weg daalt licht en eindigt bij een rotonde met in het midden het uitvergrote clublogo met een paard van de plaatselijke voetbaltrots. Links een hoge witte stadionmuur en even verderop, recht tegenover een autosloper en handelaar in oud ijzer, de entree tot stadion Doha. Welkom in Sakhnin. Om preciezer te zijn: welkom bij Bnei Sakhnin, de enige Arabische club in de Liga Al, de hoogste Israëlische voetbalcompetitie.

Mahmood is de correspondent van Ma’ariv, een van Israëls grootste kranten, en kan gezien worden als de huisscribent van Bnei Sakhnin. In het dagelijks leven is hij onderwijzer, echtgenoot en vader van een zoon en drie dochters. Mahmood is trots op zijn geboortestad, maar vooral op Bnei Sakhnin – en dat straalt hij uit. Die verbondenheid roept twijfels op over zijn onafhankelijkheid, maar heeft als prettig neveneffect dat alle deuren in Sakhnin opengaan. „Wie wil je spreken? Secretaris-generaal Hassan Abu Salih? Geen probleem. Trainer Shlomi Dora? Wordt geregeld. Spelers? Wie je maar wilt. Niet burgemeester Mazen Ghanayim? Nee, dat kan echt niet . Die móet je ontmoeten. Aan hem heeft Bnei Sakhnin zijn bestaan te danken. „Wacht, ik bel hem.” Om kort daarna zichtbaar teleurgesteld te melden dat Mazen Ghanayim vandaag niet te spreken is. De burgemeester is voor belangrijke stadszaken in Jeruzalem.

Sakhnin is een Arabische stad in de heuvels van Galilea, in het noorden van Israël. Een stad zoals vele in Israël. Een stad waarvan de bewoners zich bij het uitroepen van de staat Israël niet hebben laten verdrijven door de Joden. Een stad met ruim 27.000 trotse Arabieren, die de Israëlische dominantie tot op zekere hoogte gedogen. Maar als ze zich te zeer onderdrukt voelen komen ook de inwoners van Sakhnin in opstand. Zoals in 2000 tijdens van de Intifada. Op de Westbank en in Gaza werd de Palestijnse opstand hardhandig gesmoord door het Israëlische leger. Om te voorkomen dat de Arabische minderheid in Israël van naar schatting 1,6 miljoen inwoners voor nog grotere onrust zou zorgen, trad de politie hard op tegen demonstranten in Arabische steden. In Sakhnin leidde dat tot twee doden. Een monument in de hoofdstraat herinnert aan die martelaars.

Bij Bnei Sakhnin kwam de klap dubbel hard aan. De voetbalclub, in 1991 voortgekomen uit een fusie tussen de marginalen Maccabi Sakhnin en Hapoel Sakhnin, was in de tien jaar van zijn bestaan uitgegroeid tot een symbool van hoop. Hoop op coëxistentie en hoop op vrede. Want bij Bnei Sakhnin voetballen vanaf de oprichting Arabieren en Joden samen. Zoals Mazen Ghanayim, de stuwende kracht achter de fusie, zich dat altijd heeft gewenst. De huidige burgemeester wilde zo zijn bijdrage leveren aan vrede tussen de Palestijnen en de Israëliërs. Hij onderkende de kracht van sport. Zijn voorbeeld waren de Verenigde Staten, waar sport een voortrekkersrol speelde bij gelijkberechtiging van blank en zwart.

Onmiddellijk na de dood van de twee demonstranten in Sakhnin condoleerden de Joodse spelers hun Arabische ploeggenoten. Als signaal van verbroedering. Hoe klein ook, de eensgezindheid in Sakhnin mocht niet verbroken worden. En dat is ook niet gebeurd, Bnei Sakhnin bleef een multiculturele club. Elf jaar later is het team nog steeds gemixt en staat de vredesboodschap nog recht overeind. Dit seizoen bestaat de selectie uit dertien Arabische, acht Israëlische en vijf buitenlandse spelers. En daar is secretaris-generaal Hassan Abu Salih maar wat trots op. „Ze eten en drinken samen en respecteren elkaar, geheel volgens de filosofie die de club wil uitdragen.”

En dat verloopt op ongedwongen wijze, vertelt de Congolese Belg Pierre-Emanuel Mbemba in vloeiend Nederlands. De rijzige verdediger is in een warm bad terechtgekomen, nadat hij op jonge leeftijd KV Mechelen had verruild voor achtereenvolgens het Turkse Sivasspor en het Bulgaarse Akademic Sofia. Mbemba: „Dat had ik niet verwacht, want toen een spelersmakelaar met Bnei Sakhnin aankwam had ik mijn bedenkingen. Ik voelde er aanvankelijk niets voor om naar Israël te verhuizen. Ik was zelfs een beetje bang. Veel te gevaarlijk, dacht ik. Maar na vijf maanden heb ik het erg naar mijn zin. Een leuke, professionele club. Ik speel in een fijn team, rijd in een auto van de club en heb een appartement in Karmiel, een half uurtje rijden van Sakhnin.”

Dat Mbemba niet in Sakhnin is gehuisvest heeft een reden, vertelt Mahmood. „Om de westerse spelers tevreden te houden brengt Bnei Sakhnin hen onder in de Israëlische stad Karmiel. Daar ondervinden ze geen hinder van strenge islamitische voorschriften, kunnen ze uitgaan en op z’n tijd alcohol drinken. Zo houd je ze tevreden.” En Mahmood lacht er besmuikt bij.

De hobbyjournalist vertelt die pikanterie al gidsend naar het kantoor van clubadvocaat Aby Raya Nashid. Daar wacht Hassan Abu Salih, die zich uit voorzorg laat bijstaan door een tolkende advocaat. De secretaris-generaal van Bnei Sakhnin vertrouwt niet op zijn kennis van de Engelse taal, al blijkt dat in de praktijk erg mee te vallen.

Abu Salih, die met zijn forse postuur, donkere brillenglazen en leren jas de uitstraling heeft van een maffiabaas, blijkt een innemende man die gepassioneerd over Bnei Shaknin kan vertellen. En hij schuwt de keerzijde niet. Nadat hij trots de opmars van de club uit de laagste divisie heeft opgesomd en vanzelfsprekend heeft stilgestaan bij de bekerwinst in 2004 – Bnei Sakhnin werd in de eerste ronde van het UEFA-Cuptoernooi uitgeschakeld door Newcastle United – volgt een klaagzang over de doorlopende financiële problemen van de club. Het kost Bnei Sakhnin elk jaar veel moeite de begroting van drie miljoen dollar – de verplichting om tot de Liga Al te worden toegelaten – rond te krijgen. Tot twee à tweeënhalf miljoen dollar lukt nog wel, maar het jaarlijkse gat wordt met de grootst mogelijke moeite gedicht.

Dat ontmoedigt Abu Salih steeds meer. „In tegenstelling tot de meeste andere clubs lukt het ons niet een grote hoofdsponsor te vinden. De Arabische geldschieters zijn afkerig van de Israëlische competitie; zij worden daar liever niet mee geïdentificeerd. En rijke Israëliërs willen op hun beurt niet aan een Arabische club verbonden worden. Zo doen we het nooit goed. Ja, we hebben goede contacten in Qatar, maar prins Hamad Al Tani was alleen bereid de kosten voor de bouw van een nieuw stadion voor zijn rekening te nemen. Natuurlijk waren we blij met zijn schenking van zes miljoen dollar en hebben we uit dankbaarheid het stadion naar de Qatarese hoofdstad Doha vernoemd, maar daarmee is ons financiële probleem niet structureel opgelost.” En met een diepe zucht: „Qatar Foundation betaalt FC Barcelona 165 miljoen euro voor shirtsponsoring. Wij zouden met twee miljoen al geholpen zijn. Maar voorlopig moeten we het doen met jaarlijks 320.000 dollar van onze shirtsponsor, de telefoonmaatschappij Cellcom.”

Toch gaat het sportief redelijk goed met Bnei Sakhnin, dat momenteel met een zevende plaats een degelijke middenmoter is in de Liga Al. In het debuutseizoen 2003-2004 won de ploeg de beker. Een sensatie die veel publiciteit, een nieuw stadion, Europees voetbal en een documentaire over de club opleverde. Sterspeler in die tijd was Abbas Sowan, die naam maakte door als tweede Arabier het nationale Israëlische elftal te halen en in 2005 in een WK-kwalificatiewedstrijd tegen Ierland het enige doelpunt te maken. Sowan is gestopt en traint de jeugd van Bnei Sakhnin.

Na de degradatie in 2006 volgde onmiddellijk promotie. En vorig seizoen stelde Bnei Sakhnin zich op de laatste speeldag veilig door een doelpunt in blessuretijd in de laatste wedstrijd tegen Beitar Jerusalem. Zoeter dan zoet was die overwinning, want Beitar is berucht vanwege de racistische aanhang. Beitar is ook de enige tegenstander waarvan de supporters openlijk en luidkeels hun afkeer van Arabieren uiten. Wedstrijden tussen Bnei Sakhnin en Beitar Jerusalem zijn beladen en worden gespeeld onder extreem strenge veiligheidsmaatregelen.

In de andere stadions wordt Bnei Sakhnin niet vijandig bejegend, zeggen stafleden als Abu Salih. Een uitspraak die wordt genuanceerd door de Belg Mbemba. „Zo nu en dan merk je iets van afkeer tegen Arabieren. Door een vileine opmerking van een speler of een supporter. Maar zo erg als bij Beitar is het in die andere stadions bij lange na niet.”

In Sakhnin wordt aan zulke verwensingen niet heel zwaar getild. De relatie met de Joodse medeburgers ligt nu eenmaal gevoelig. Dat voelt ook Mahmood. „Ik heb weliswaar een Israëlisch paspoort, maar voel daar niets bij. In mijn hart ben ik een Palestijn.” Wat niet wegneemt dat hij de vredesgedachte van Bnei Sakhnin ondersteunt. Want het werkt, zij het druppelsgewijs. Of zoals Abu Salih zegt: „Bnei Sakhnin heeft de weg gebaand voor Arabische spelers bij Israëlische clubs.”

Het effect is merkbaar, meent zelfs Shimon Peres, de president van Israël. In de documentaire After the Cup, die de Amerikaanse cineast Christopher Browne over de bijzondere voetbalclub maakte, zegt Peres: ‘Bnei Sakhin heeft de relatie tussen Joden en Arabieren veranderd.’

    • Henk Stouwdam