Rare roofzuchtige garnaal

Ooit was hij het eerste grote roofdier. Een echte ‘schrik der zee’, waar andere dieren voor vluchtten. Wel twee meter lang, stil zwevend in het water. Met superogen op stelen. Een beetje laat stelt hij zich nu aan ons voor: de reuzenroofgarnaal.

Die garnaal leefde vijfhonderd miljoen jaar geleden. Toen Kerstmis nog niet bestond, de mens nog niet bestond, er nog niet eens landplanten waren. De wereld was kaal en leeg, maar in de oerzee was het leven al in volle gang. Er was zelfs een explosie aan nieuwe soorten. En wie was de baas over alles wat daar rond zwom? De reuzengarnaal Anomalocaris. Dat betekent ‘rare garnaal’. Net een scheldwoord.

Die rare garnaal was de eerste heerser der zee. Het eerste toproofdier van de wereld. Van de reusachtige roofgarnaal - of roofzuchtige reuzengarnaal, wat je wilt – zijn nu pas echt goede fossielen gevonden. Compleet met afdrukken van de ogen.

Die waren niet alleen groot, maar ook al fantastisch goed. Roversogen. Beter dan die van veel kreeften of insecten van nu. De garnaal had ook vang-armen met haken. En een gemene bek, een soort schijf met een sluitend gat erin.

Hij had geen poten. Hij zweefde geruisloos rond in het hogere, lichte water, scherp rondkijkend. En greep wat hij verrassen kon aan zachte mededieren.

Zo heeft hij veel invloed op de evolutie gehad. Want hij was heel succesvol – tientallen miljoenen jaren lang. Maar hij kon geen heel harde prooien stukbijten. Daardoor werden andere diersoorten uit die tijd beetje bij beetje steviger. Ze stelden ze zich harder op, in plaats van zacht en mals maar wat rond te dobberen. Ze zorgden voor een hard uitwendig skelet, zoals kreeften en krabben nu nog hebben. Of voor een stevige schelp.

Arme Anomalocaris. Hij kon waarschijnlijk al die hardheid niet aan, en hij stierf uit in zijn monstervorm. Maar de herinnering blijft. Aan een rare garnaal.

Frans van der Helm