Onderwijs is er niet voor zelfontplooiing Het is buiten beeld geraakt economisch belang

Na enkele decennia onderwijsvernieuwingen moeten er lassers uit het buitenland komen en zitten jongeren werkloos thuis, constateert Johan Schaberg.

UITHOORN - Door leerlingen van scholengemeenschap Thamen wordt op dit moment een compleet 'huis' gebouwd.De derde klas van de afdeling bouwtechniek bouwt , naast de reguliere lessen en opdrachten,in een schooljaar het hele huis .Dit vakoverstijgende project wordt door verschillende vakken gedragen . Bij wiskunde worden berekeningen op het project losgelaten en de leerlingen van elektrotechniek brengen een 'offerte' uit om de elektra te mogen aanleggen . Doordat de leerlingen bij verschillende vakken met één project bezig zijn , zien ze direct het resultaat. Foto : VMBO leerlingen Niels,Wesley en Jeffrey bezig met de werkzaamheden.

Over gebrek aan belangstelling heeft het onderwijs niet te klagen. Minister Van Bijsterveldt schreef een paar weken geleden in een brief aan de Tweede Kamer dat ouders wel eens wat meer tijd aan opvoeding zouden kunnen besteden, desnoods door minder te gaan werken. Ze heeft kennelijk een gevoelige plek geraakt, want er volgden veel geërgerde en verontwaardigde reacties. Zo zou zij onder andere de klok vijftig jaar terug willen draaien naar de tijd dat moeders thuis met de thee klaar zaten als de kinderen uit school kwamen. Maar dat is nu een onredelijke eis: moeders hebben banen buitenshuis om de hypotheek en de steeds hogere materiële eisen van het gezin te helpen betalen.

Vergeleken met een halve eeuw geleden is er nog een belangrijk verschil. De ouders van toen hadden een zware tijd achter de rug. Ze hadden een oorlog meegemaakt met schaarste en voor een deel van de bevolking zelfs rauwe honger. Dat wilden zij niet nog een keer meemaken, en vooral hun kinderen zouden opgroeien zonder armoede en gebrek. Onderwijs was voor hen het middel waarmee hun kinderen materieel en maatschappelijk vooruit konden komen. Het was misschien belangrijk als intellectuele vorming, maar in ieder geval als sleutel tot een welvarender leven. Onderwijs was een economisch goed.

Dat verklaart ook de grote betrokkenheid van de ouders van toen – niet bij hoe de school het deed, zoals nu, maar bij de leerprestaties van het kind. Spreekwoordelijk kon je als kind straf krijgen van de juf of de meester, en dan kreeg je het er thuis van je ouders nog eens dunnetjes overheen. Als je een potje maakte van je kostbare leerkansen, gaf dat hun bijna letterlijk aanstoot. Dan dreigde je uit lamlendigheid de kant uit te gaan waar zij door omstandigheden of het lot terecht waren gekomen en waar zij probeerden zich uit te worstelen. Dat gaf ergernis, en het kon je een draai om de oren opleveren.

Corrigerende tikken zijn afgeschaft of zelfs strafbaar geworden. Zorgen om het materiële bestaan heeft bijna niemand meer, en áls ze er al zijn gelooft niemand dat onderwijs daar iets mee te maken heeft.

Sylvia Nasar heeft recentelijk een belangwekkend boek geschreven, Grand Pursuit. The Story of Economic Genius, in het Nederlands vertaald als De Wil tot Welvaart. Daarin beschrijft zij hoe de ontwikkeling van het denken over economie sinds het midden van de negentiende eeuw heeft geleid tot een ongekende toename van de levensstandaard. Marx had het nog over het uitzichtloze lot van de arbeidersklasse, waar alleen een revolutie verandering in zou kunnen brengen. Maar een fabriek had hij nog nooit van binnen gezien, en ‘de arbeider’ was voor hem een abstract en statisch begrip, een schim.

Enkele jaren na Marx ging Alfred Marshall wel de fabrieken in, waar hij zag dat sommige arbeiders veel meer verdienden dan anderen. Het verschil lag in hun productiviteit, en de sleutel daartoe lag in scholing. Een geschoolde arbeider verdiende meer dan een ongeschoolde kracht, eenvoudigweg omdat hij meer opleverde. Iemand die had geleerd een graafmachine te bedienen, bracht meer op en verdiende meer dan wie alleen maar met een schop kon werken. Marshall legde het economische verband bloot tussen productiviteit, scholing en persoonlijk inkomen, en daarmee de relatie tot nationale welvaart, invloed en politieke macht. Zo werd onderwijs een nationaal belang.

Nog steeds bemoeit de overheid zich tot in de haarvaten met het onderwijs, maar het verband met welvaart en economie is uit het zicht geraakt. Het gaat er niet meer om hoe wij als land meer presteren en meer verdienen, maar om persoonlijke ontwikkeling en ontplooiing van het individu. Er is natuurlijk veel voor te zeggen om niet uitsluitend met materiële zaken bezig te zijn, al is het de vraag of persoonlijke ontwikkeling een nationaal belang dient en dus een overheidsrol rechtvaardigt. Maar het ontbreken van het economische aspect in het denken over onderwijs in Nederland is een schadelijke misstand, die ons nu al veel, en in de toekomst nog meer geld en welvaart gaat kosten.

Het is geen recente ontwikkeling. Met de invoer van de Mammoetwet in de jaren zestig raakten bijvoorbeeld de talenpakketten in het voortgezet onderwijs drastisch uitgedund. Dat was een economische schadepost van belang. Ooit waren Nederlanders de talenwonders van Europa, die niet alleen Engels spraken, maar ook Duitse en Franse inkopers in hun eigen taal konden bedienen. In theorie kan dat natuurlijk ook allemaal in het Engels. Maar Duitse en Franse inkopers voelen zich gewoon meer op hun gemak in hun eigen taal en zullen liever werken met een leverancier die hun dat mogelijk maakt. Dat we dat niet meer kunnen, kost ons omzet, export en welvaart. Met het verlies van talenkennis zijn we minder productief geworden. Het is onbegrijpelijk dat het ministerie van Economische Zaken – of hoe het in de loop van de jaren ook geheten heeft – daar nooit de noodklok over heeft geluid. Of althans nooit zo hard dat het te horen was.

Hetzelfde doet zich voor in het beroepsonderwijs. In de week dat minister Van Bijsterveldt zich druk maakte over ouders op school, trokken Kamerleden Roemer en Van Dijk van de SP aan de bel met een opiniestuk in de Volkskrant over het verdwijnen van de ouderwetse, eerlijke ambachtsschool en wat dat voor schade oplevert. Daar konden jongens, en ook meisjes die goed waren met hun handen praktische vakken leren waarmee ze de maakindustrie in Nederland overeind hielden. Nu zitten ze op een school voor Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs en vallen in slaap of gaan klieren als ze in een of andere ‘beroepsgerichte kwalificatiestructuur’ moeten proberen hun weg te vinden, terwijl ze bezig hadden kunnen zijn met lassen, stukadoren, timmeren, metselen of fijnmetaalbewerking. We importeren voor de aanleg van de Tweede Maasvlakte honderden lassers uit Portugal en verder, omdat die in Nederland niet te vinden zijn, terwijl allerlei jongeren die graag iets concreets uit hun handen zouden laten komen, werkloos thuis zitten of zich op straat lopen te vervelen.

Tezelfdertijd betalen voor vaklieden uit het buitenland en voor werkloze jongeren thuis is dubbele economische schade. Dat een ministerie als Economische Zaken, maar ook Financiën, daarover zwijgt, is onbegrijpelijk en een slechte zaak voor het land. Maar het raakt ook Binnenlandse Zaken, vanwege de verveling en lamlendigheid op straat. En Sociale Zaken, met het oog op de verkommering van mensen en gezinnen die geen nuttige plek in en bijdrage aan de samenleving hebben. Het is absurd dat die ministeries af zitten te wachten wat de deskundigen van Onderwijs in hun pedagogenwijsheid op de scholen en de jeugd loslaten, om vervolgens vele decennia lang de scherven te moeten opvegen. Een visie op onderwijs in zijn isolement, alleen getoetst op zijn onderwijskundige merites, zou niet mogen bestaan. Onderwijs behoort dienstbaar te zijn aan de economie en de samenleving.

Maar er is een handicap: de ouders van nu, of een deel van hen, verlangen geen scholing of opleiding meer van het onderwijs en stellen geen eisen aan hun kinderen. Als er een conflict is tussen een leerling en een leraar, trekt tegenwoordig de docent steeds vaker aan het kortste eind. De school is niet meer een middel tot maatschappelijke en economische vooruitgang. Dat vinden we ook niet meer nodig: we hadden al genoeg te eten en te verteren. Welvaart hoeft niet verdiend te worden, is de gedachte. Welvaart is er gewoon, net zoals de altijd stromende limonadebeek in Luilekkerland. De school wordt leverancier van algemene vorming en kinder- en puberopvang. En alles is er proces, in lijn met de beleidsnotataal die een eczeemveroorzakend begrip als ‘beroepsgerichte kwalificatiestructuren’ weet voort te brengen. Inhoud – ‘wát ga ik hier nou eigenlijk leren?’ – is en blijft ver te zoeken.

Elk land krijgt de regering die het verdient, en dat geldt ook voor het onderwijs. Geef de ambachtsschool terug aan de jeugd die graag praktisch aan de slag wil, is het pleidooi van Roemer en Van Dijk – maar dat pleidooi klinkt helaas alleen vanuit de parlementaire oppositie. Zolang ouders geen eisen stellen aan wat hun kinderen echt leren en wat het onderwijs voor feitelijke inhoud biedt, zullen wij over steeds minder talenkennis, lasvaardigheden en andere beroepskwalificaties beschikken. Dat wordt alleen nog maar versterkt door het bijna volledige monopolie dat het door de overheid gefinancierde en gecontroleerde onderwijs in Nederland heeft. Die sturing is bedoeld om ontsporingen van individuele particuliere initiatieven te voorkomen. Maar de centrale besturing is zelf de weg kwijt, en dan ontspoort het hele systeem.

Bij voortzetting van het huidige beleid zal onze welvaart achterblijven. Totdat er weer een generatie komt die het echt slecht heeft gehad en armoede heeft gekend, zoals de ouders van de jaren vijftig hier, of de Chinezen die de Culturele Revolutie hebben meegemaakt. Die zullen dan opnieuw tot de conclusie komen dat onderwijs de sleutel tot persoonlijke en maatschappelijke welvaart vormt. Tot die tijd blijft het sukkelen.

Johan Schaberg is is ondernemer, adviseur en medewerker van NRC Handelsblad.

    • Johan Schaberg