Mijn man en ik gaan hier nooit weg

De thuiszorg is verpauperd. Patiënten krijgen elke dag een ander over de vloer, die voor alles drie minuten heeft. „Ik zorg liever zelf voor mijn vrouw dan dat ik die types binnenlaat.” Buurtzorg doet dat anders, andere organisaties volgen.

Europa,Nederland, Utrecht, 23-11-2011 Buurtzorg, Zelfstandig blijven wonen. Bij ziekte en ouderdom met goede zorg thuis zelfstandig blijven wonen met verzorging en verpleging van Buurtzorg. Buurtzorg is een landelijke thuiszorgorganisatie die begeleiding, verzorging en verpleging thuis biedt bij herstel of tijdens het ziekteproces. . Buurtzorgmedewerkers, wijkverplegers, helpen bijvoorbeeld met het wassen, klaarzetten en geven van medicijnen en het aan- en uitkleden. Ook verrichten zij handelingen zoals insuline spuiten, het verzorgen van wonden, het geven van injecties of het bestrijden van pijn, het aantrekken van steunkouzen.Foto Evelyne Jacq. Evelyne Jacq

Meneer Beckers (64) heeft maar één been. Het andere been is onlangs geamputeerd omdat hij suikerziekte heeft. De suikerziekte kreeg hij van de medicijnen die hij slikt sinds hij nieuwe longen heeft. De medicijnen voorkomen dat zijn lichaam de nieuwe longen afstoot. „Ik ga eerder dood aan de medicijnen dan aan mijn eigen kwalen”, zegt Beckers.

Beckers zit in zijn rolstoel en wijst naar het uitzicht over de stad Utrecht. „Mooi penthouse heb ik, hè?” Onderwijl trekt wijkverpleegkundige Alieke Scholten (34) zijn steunkousen aan. Eén over zijn gewone voet, één over zijn stomp. „Ik kan er zelf niet bij, mijn buik is te dik.”

Alieke Scholten werkt voor Buurtzorg. Twee keer per dag komt zij of een collega in het appartement van Beckers om de steunkousen aan en uit te trekken. Hij woont alleen, en werkte vroeger bij de gemeente. Ze helpen hem ook zijn beenprothese aan te doen. En het grote voordeel: hij mag ze bellen wanneer er wat is.

Tot vorig jaar kreeg Beckers thuiszorg van een andere organisatie. Hij vertelt: „Dan kwam er zo’n dame binnen met een stopwatch in de hand. Drie minuten voor de ene kous, drie minuten voor de andere. Als ik vroeg of ze een zalfje op mijn teen wilde smeren, zei ze: ‘Daarvoor moet u een andere collega hebben.’”

Thuiszorg, goede thuiszorg, wordt belangrijker dan ooit. Want Nederland vergrijst en ziekenhuizen sturen patiënten steeds sneller naar huis na een operatie. Het Almelose bedrijf Buurtzorg heeft daarin furore gemaakt: het levert sinds vijf jaar kleinschalige thuiszorg. Zonder bureaucratie. Er werken in het land al 400 Buurtzorgteams van verpleegkundigen die bij andere organisaties zijn vertrokken. De formule? Alieke Scholten: „We hebben bijna geen managers. Op ons hoofdkantoor werken maar 30 mensen, op 4.000 man in het hele land. Elk team bestaat uit zo’n tien verpleegkundigen die zelf de roosters maken, elke patiënt kennen en alles zelf doen.”

Andere ouderenzorgorganisaties volgen het voorbeeld. Zoals Zorgspectrum in Houten. Bestuurder Gert-Jan Waterink vertelt: „We zetten sinds een paar jaar onze verpleegkundigen, artsen en psychologen met enige aandrang buiten de muren van onze verpleeghuizen aan het werk. Bij de mensen thuis.” In vijf jaar heeft Zorgspectrum het aantal thuiszorgpatiënten uitgebreid van nul tot 1.000. „We hebben het model van Buurtzorg gekopieerd.”

Ook Meneer de Graaff (84) heeft thuiszorg oude stijl meegemaakt. Een paar maanden lang kwam er elke dag een thuiszorghulpverlener om zijn vrouw te wassen. Dat had de huisarts geregeld. Maar ze kwamen steeds op andere momenten, hadden nergens verstand van en ze hadden altijd haast. En het ergste: telkens was het een ander. Meneer De Graaf heeft die dames de deur gewezen. „Ik zorg liever zelf voor mijn vrouw dan dat ik die types binnenlaat.”

Nu doet hij alles zelf. Hij kookt voor zijn vrouw, wast haar, maakt het huis schoon, brengt haar naar afspraken met artsen. Dat heeft hij beloofd toen ze trouwden, zegt hij.

In de benedenwoning in Houten staat de trouwfoto op tafel. Twee stralende twintigers met een bos bloemen. Meneer de Graaf heeft het er onlangs neergezet. Zodat zijn vrouw het weer weet. Ze had gezegd: „Ben jij Bert?” Hij zei ja. „Ben jij dan mijn man?” Ja, dat ben ik. Daar schrok hij van. Zestig jaar zijn ze getrouwd. Vroeger was hij restaurateur bij de Rijksdienst.

Mevrouw de Graaf (86) kijkt vredig rond. Ze heeft witte krullen. Ze is snel gedesoriënteerd en vergeet vrijwel alles. Behalve de route naar haar adoptiezoon. Die houdt kantoor op een paar honderd meter van hun huis. Ze loopt er feilloos heen. Dan drinkt ze een kop koffie en loopt ze weer huiswaarts.

Vandaag bezoekt Tilly Duijf, van Zorgspectrum, het echtpaar voor de vijfde keer. Zij werkte lang in verpleeghuizen en komt sinds kort bij mensen thuis als casemanager. Ze verpleegt niet, maar organiseert hulp thuis zodat de echtgenoot(e) wordt ontlast. Een wijkverpleegkundige of fysiotherapeut die begrijpt hoe graag mensen de touwtjes van hun eigen leven in handen houden. „Juist door die hulp kunnen ze vaak langer thuis wonen.”

Dat is wat meneer De Graaff wil. Door zijn ervaringen met thuiszorg wantrouwt hij álle hulpverleners.

Duijf helpt met kleine administratieve zaken en probeert een vertrouwensband met meneer De Graaff op te bouwen. Ze neemt een uur voor het bezoek, dat is lang in de thuiszorg. Pas bij het vertrek begint Duijf over haar zorgen. „Uw vrouw ziet er pips uit”, zegt ze. Ze voelt mevrouws handen. „Het bloed stroomt niet goed. Ze heeft last van haar hart, hè. Vindt u het goed als er een verpleegkundige langskomt, nu en dan?”

Meneer de Graaf aarzelt.

„Gewoon om te zien of alles nog goed gaat?”

Hij knikt.

In de thuiszorg is de afgelopen vijftien jaar niet geïnvesteerd, er is juist fors bezuinigd. De zorg is erdoor verpauperd.

Terwijl de som eenvoudig is, zegt Gert-Jan Waterink. Iemand in een verpleeghuis kost tussen de 1.450 en 1.700 euro per week. Iemand die thuis woont en twee keer per dag thuiszorg krijgt, zoals Beckers, kost zo’n 680 euro per week. Alles wordt betaald uit de Algemene wet bijzondere ziektekosten.

Eerst werd de macht van de wijkverpleegkundige gebroken. Waterink: „In de jaren tachtig bepaalden de wijkverpleegkundige en de huisarts samen welke zorg iemand thuis nodig had. Dat ging perfect. Maar de overheid dacht dat het te duur werd omdat professionals zelf oordeelden dat er zorg nodig was. Dat wantrouwde ze. Er kwamen ‘indicatieorganen’ die gingen controleren of elke patiënt wel echt zorg nodig had. Bureaucratie en kosten dus. De regio’s werden groter, en de afstanden. Er kwam een zorgkantoor dat alles van lagere indicatieorganen controleerde.”

Daar kunnen kennissen van Meneer Beckers over meepraten. Mevrouw zocht vier weken geleden thuiszorg omdat haar man (78) thuiskwam na een buikoperatie. „Hij had zo’n grote buikwond dat je vuist er in kon”, vertelt ze. Zij belde de thuiszorg en die zeiden: u zult zes weken moeten wachten want we moeten eerst ‘een indicatie’ aanvragen, toestemming voor zorg. „Maar hij moest naar huis, meteen. Hij zat in een revalidatiecentrum en werd compleet depressief. Hij heeft 42 jaar bij de marine gewerkt.” Toen belde ze, op advies van Beckers, Buurtzorg. „Ze konden meteen komen. De zorg begon en onderwijl regelde Alieke die ‘indicatie’.”

Na het optuigen van indicatiekantoren, bezuinigden de thuiszorgorganisaties zelf de wijkverpleegkundige weg, vertelt Alieke Scholten. „Dat was tien jaar geleden, het was mijn eerste baan. We waren te duur. We moesten op kantoor gaan zitten en van alles regelen. Het bezoek aan de patiënten werd aan de goedkoopste krachten overgelaten. Met een mbo-opleiding of lager.”

Er kwam minutenterreur, zegt Gert-Jan Waterink. Voor elke handeling werd een aantal minuten gepland. Duurde het langer, dan dekte de AWBZ dat niet. „Je hoort nog steeds managers in thuiszorgorganisaties trots vertellen dat hun personeel op een avond bij dertig mensen langs gaat.” Alieke mag zelf bepalen hoe lang ze ergens is.

De thuiszorgbedrijven werden steeds groter (goedkoper); een centrale roostermaker plande alle bezoeken. Die hield geen rekening met wie welke patiënt wanneer bezoekt. Scholten: „Al die cliënteninformatie overdragen, elke keer, dat kost tíjd.”

Als reactie op de schaalvergroting bedachten ontevreden wijkverpleegkundigen Buurtzorg. Bij Buurtzorg en krijgt de patiënt alleen vaste gezichten over de vloer en heeft de verpleegkundige weer plezier in het werk. Scholten: „Een verpleegkundige kan álle vragen beantwoorden, sondevoeding of injecties geven maar vindt het ook prima om steunkousen aan te trekken. We gaan terug naar hoe we het vroeger deden: alles zelf.”

Bij Tilly Duijf van Zorgspectrum werkt het iets anders: de huisarts meldt mensen met geheugenproblemen aan bij haar team. Die bestaat uit een psycholoog, een specialistisch verpleegkundige en specialist ouderengeneeskunde. „Samen met familie en thuiszorg zoeken we naar oplossingen zodat ze zolang mogelijk thuis kunnen blijven wonen.”

Want dát willen mensen. De meeste mensen wíllen niet worden opgenomen.

Neem het echtpaar waar Scholten vandaag meneer (87) komt douchen. Vijftig jaar wonen ze in deze mooie wijk, vertelt mevrouw (87) terwijl ze thee zet. Ze was coupeuse en costumière, haar man was meubelmaker. Mevrouw heeft lang witgrijs haar, een spits gezicht en loopt op Crocs. Haar mankeert niets, vertelt ze. Ze kan de zorg voor haar man goed aan. Alleen het douchen is lastig omdat hij lijdt aan een evenwichtsstoornis. Ze moet hem dus wassen en vasthouden tegelijk want anders kan hij omvallen. En ze is, zegt ze verontschuldigend, weleens ongeduldig.

Het begon ermee dat hij zwalkte tijdens het autorijden en het fietsen. Maar het werd steeds erger en nu valt hij regelmatig. Laatst viel hij uit zijn scootmobiel. Twee vreemde meisjes hebben hem erin getild en thuis gebracht. Gelukkig, zegt mevrouw, komen Alieke en haar collega’s drie keer per week om hem te douchen. Alieke heeft ook een traplift geregeld zodat hij de trap op- en afkan. „En ik kan mijn verhaal bij ze kwijt, dat scheelt enorm.” Want haar man en zij, zegt mevrouw resoluut, krijg je hier nooit meer weg.

    • Frederiek Weeda